Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200902925/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het plat dak van het pand aan de [locatie]8 te [plaats] (hierna: het perceel) als dakterras, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902925/1/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 maart 2009 in zaak nr. 08/336 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het plat dak van het pand aan de [locatie]8 te [plaats] (hierna: het perceel) als dakterras, afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2008 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [wederpartij]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2009. Ter zitting is [wederpartij], bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2. Het college heeft bij besluit van 18 augustus 2004 aan vergunninghouder vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het privégedeelte van het hotel op het perceel. Aan de bouwvergunning is onder meer de voorwaarde verbonden dat het plat dak, links naast de slaapkamer 1, niet wordt gebruikt als dakterras.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde dat het plat dak niet als dakterras mag worden gebruikt nietig is en het college derhalve niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het gebruik van het plat dak als dakterras. Het college voert hiertoe aan dat de voorwaarde een gebruiksvoorschrift is en daarom niet aan de bouwvergunning verbonden had mogen worden.

2.4. Van nietigheid van rechtswege kan slechts in zeer bijzondere gevallen worden uitgegaan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat met betrekking tot de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde niet gesteld kan worden dat het voor een ieder op voorhand duidelijk zou moeten zijn dat deze niet aan de bouwvergunning mocht worden verbonden, zodat de voorwaarde niet om deze reden van rechtswege nietig is.

Ingevolge artikel 56 van de Woningwet mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden worden verbonden die strekken ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. Het college heeft dan ook terecht aangevoerd dat het deze voorwaarde niet aan de bouwvergunning had mogen verbinden, omdat het geen voorwaarde betreft waaraan het bouwwerk moet voldoen, maar ziet op een bepaald verboden gebruik. Dit leidt er echter niet toe dat de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde van rechtswege nietig is. Dit gebrek aan de bouwvergunning kon in het kader van een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de bouwvergunning aan de orde worden gesteld. Nu dit niet is gebeurd, is de voorwaarde in rechte onaantastbaar geworden en heeft de rechtbank terecht overwogen dat van de verbindendheid ervan moet worden uitgegaan.

2.4.1. Het niet naleven van deze voorwaarde kan echter niet als een overtreding van artikel 40 Woningwet worden aangemerkt nu het hierin neergelegde verbod uitsluitend ziet op bouwen zonder of in afwijking van de bouwvergunning en niet op gebruik. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het gebruik als dakterras. Nu evenmin een ander wettelijk voorschrift aanwijsbaar is dat wordt overtreden door het niet naleven van de vergunningvoorwaarde, is het college niet bevoegd handhavend op te treden tegen het gebruik van het plat dak als dakterras.

2.4.2. Het verzoek om handhaving en het in bezwaar gehandhaafde besluit van 2 augustus 2007 tot weigering om handhavend op te treden hebben uitsluitend betrekking op het gebruik van het plat dak als dakterras. De in beroep door [wederpartij] naar voren gebrachte grond dat vergunninghouder in strijd met de verleende bouwvergunning op het plat dak een houten schutting heeft opgericht en een vlondervloer heeft geplaatst, valt derhalve buiten de omvang van dit geding. Door te overwegen dat het college het handhavingsverzoek niet had mogen weigeren omdat vergunninghouder in strijd met artikel 40 van de Woningwet heeft gehandeld nu hij in afwijking van de bouwvergunning heeft gebouwd, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de omvang van het geding getreden.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 22 januari 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 maart 2009 in zaak nr. 08/336;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

357-604.