Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200905193/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2007, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) [appellante], onder oplegging van een dwangsom, gelast het strijdige gebruik van de opslagloods als verfverwerkingsruimte op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200905193/1/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 juni 2009 in zaak

nr. 08/659 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2007, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) [appellante], onder oplegging van een dwangsom, gelast het strijdige gebruik van de opslagloods als verfverwerkingsruimte op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2009, verzonden op 5 juni 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbenden] (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [belanghebbende]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat te Arnhem, en K.G.M. van Aken, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidelijke Eng" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (Cat BV).

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor bedrijven met de daarvoor benodigde bedrijfsgebouwen, andere bouwwerken, andere werken en open terreinen, zoals opslag,-, los- en laadplaatsen en parkeerruimten, met dien verstande dat uitsluitend bebouwing mag worden opgericht ten behoeve van bedrijven welke voorkomen in categorie 1 en 2 van de in bijlage I opgenomen Staat van Inrichtingen dan wel ten behoeve van bedrijven, welke niet genoemd worden in deze staat en naar de aard gelijk te stellen zijn met de inrichtingen als bedoeld in één van deze twee categorieën.

Ingevolge het tweede lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid onder a voor de bouw van bedrijven voorkomend in categorie 3 van de in bijlage I opgenomen Staat van Inrichtingen dan wel ten behoeve van bedrijven, welke niet genoemd worden in deze staat en naar de aard gelijk te stellen zijn met de inrichtingen als bedoeld in deze categorie, mits vooraf van de Inspecteur van de volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu advies is gevraagd.

Ingevolge artikel 24, eerste en tweede lid, voor zover thans van belang, is het verboden gronden en opstallen in gebruik te nemen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of voor doeleinden, strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge de Staat van Inrichtingen wordt een verfspuitinrichting met een vloeroppervlakte van maximaal 35 m² gerekend tot categorie 3 en een verfspuitinrichting met een vloeroppervlakte groter dan 35 m² tot categorie 4.

2.2. In de van het bestemmingsplan deel uitmakende Staat van Inrichtingen wordt het bedrijf van [appellante], zijnde een bouwbedrijf met verfspuitinrichting, niet genoemd. Ter beoordeling staat derhalve of het bedrijf van [appellante] naar de aard gelijk te stellen is met de inrichtingen als bedoeld in categorie 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen, nu het bestemmingsplan deze inrichtingen op het perceel toestaat. Gelet op de in de staat opgenomen categorie-indeling van de inrichtingen "machinale houtbewerking","(bewerking van) bouwmaterialen", "constructiebedrijven", "lasinrichtingen" en "verfspuitinrichting met een maximale vloeroppervlakte van 35 m²" is in ieder geval geen sprake van een inrichting als bedoeld in categorie 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen. Het gebruik van de loods ten behoeve van een bouwbedrijf met verfspuitinrichting is derhalve in strijd met artikel 24 van de planvoorschriften.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank aan haar oordeel, dat het college terecht van haar bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de verfspuiterij gebruik heeft gemaakt, ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de verfspuiterij dient te worden aangemerkt als een op het perceel niet toegestane inrichting in categorie 4 van de Staat van Inrichtingen en niet valt onder categorie 3, waarvoor binnenplanse vrijstelling mogelijk is.

Zij voert daartoe primair aan dat de verfspuiterij dient te worden gezien als activiteit, behorende bij en ondergeschikt aan het als categorie 3 van de Staat van Inrichtingen aan te merken bouwbedrijf. Subsidiair voert zij aan dat al zou de verfspuiterij wel als een zelfstandig bedrijfsonderdeel worden aangemerkt, bij de categorie-indeling van de Staat van Inrichtingen enkel de vloeroppervlakte van de verfspuitcabine bepalend is, waardoor de verfspuiterij onder categorie 3 valt. De droogruimte dient buiten beschouwing te worden gelaten, omdat daar geen milieubelastende activiteiten plaatsvinden, aldus [appellante] .

2.5. Het betoog faalt. Of de verfspuiterij al dan niet als een zelfstandig bedrijfsonderdeel dient te worden aangemerkt is niet van belang. Evenmin is relevant of het bedrijf van [appellante] al dan niet als een inrichting in categorie 3 danwel als een inrichting in categorie 4 van de Staat van Inrichtingen dient te worden aangemerkt. Het college is immers ook niet bereid om vrijstelling te verlenen voor activiteiten die moeten worden gerekend te behoren bij een inrichting in categorie 3. Voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat dit standpunt van het college rechtens onhoudbaar is, bestaat geen grond. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

17-564.