Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200903034/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan RBOB de Kempen bouwvergunning verleend voor het oprichten van een educatief centrum op het perceel De Spinner 2 te Heeze (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903034/1/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2009 in zaak nr. 08/3321 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan RBOB de Kempen bouwvergunning verleend voor het oprichten van een educatief centrum op het perceel De Spinner 2 te Heeze (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college het door [appellant], en anderen, verenigd in het omwonendencollectief PARK De Groene Spinner niet-ontvankelijk verklaard, voor zover ingediend door het omwonendencollectief, en ongegrond verklaard, voor zover ingediend door [appellant] en [naam].

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 februari 2008 vernietigd.

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het besluit van 1 november 2007 voor een deel gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, alsnog krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de gemeentelijke bouwverordening ontheffing verleend en de verleende bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 19 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2009, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, bijgestaan door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een educatief centrum dat bestaat uit de herbouw van de door brand verwoeste basisschool de Trumakkers en de nieuwbouw van een ruimte die bestemd is voor het onderbrengen van een kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal en een buitenschoolse opvang.

2.2. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Heeze-Leende (hierna: de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

2.3. Het bouwplan is in strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, omdat op het terrein waarop het educatief centrum wordt gerealiseerd niet is voorzien in parkeerplaatsen ten behoeve van het halen en brengen van kinderen (hierna aangeduid als kiss-and-ride). Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening bij besluit van 12 augustus 2008 ontheffing verleend van het bepaalde in het eerste lid.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2008 tot gevolg heeft dat moet worden uitgegaan van het daarbij door de voorzieningenrechter gegeven oordeel dat op eigen terrein in voldoende mate parkeerplaatsen voor het personeel van het educatief centrum aanwezig zijn. Zij voeren in dit verband aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen voornoemde uitspraak niet aan hen kan worden tegengeworpen.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Bij de toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening dient te worden uitgegaan van de totale parkeerbehoefte die de desbetreffende bouw met zich brengt. Dat deze behoefte uit verschillende elementen bestaat, laat onverlet dat de totaliteit daarvan bepalend is. Nu [appellant] en anderen de door het college berekende parkeerbehoefte steeds als zodanig hebben bestreden en de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak van 17 april 2008 heeft geoordeeld dat de parkeerbehoefte onjuist is vastgesteld, kan hun niet worden tegengeworpen dat zij geen hoger beroep hebben ingesteld tegen deze uitspraak ter bestrijding van het oordeel van de voorzieningenrechter inzake de op het personeel van het educatief centrum betrekking hebbende parkeerbehoefte. Zij konden in het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2008 derhalve wederom ook de vraag aan de orde stellen of het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor het personeel van het educatief centrum. Of dat leidt tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, is afhankelijk van het oordeel over hetgeen [appellant] en anderen daartoe hebben aangevoerd.

2.5. [appellant] en anderen hebben betoogd dat het aantal op het eigen terrein van het educatief centrum voorziene parkeerplaatsen onvoldoende is om te voldoen aan de parkeerbehoefte voor het personeel van dit centrum. Daarnaast zal volgens hen een groot deel van de aldaar voorziene parkeerplaatsen niet beschikbaar zijn omdat omwonenden ook gebruik maken van het parkeerterrein.

2.5.1. Dit betoog faalt. [appellant] en anderen hebben ter zitting erkend dat de negentien op het terrein van het educatief centrum voorziene parkeerplaatsen op zichzelf voldoende zijn om aan de parkeerbehoefte van het personeel te voldoen. Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze plaatsen niet beschikbaar zullen zijn door het gebruik daarvan door omwonenden.

2.6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening ontheffing heeft kunnen verlenen ten behoeve van de benodigde kiss-and-ride parkeerplaatsen. Volgens [appellant] en anderen heeft het college de parkeerbehoefte ten behoeve van het halen en brengen van kinderen onjuist berekend en is derhalve in onvoldoende kiss-and-ride parkeerplaatsen voorzien. Voorts zal volgens hen een verkeersonveilige situatie ontstaan. [appellant] en anderen voeren in dit verband tevens aan dat het college de ontheffing ten onrechte achteraf heeft verleend en dat niet eerst is onderzocht of de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden.

2.6.1. Met het betoog dat het college de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening ten onrechte achteraf heeft verleend zonder dat dit besluit aan hen is toegezonden en daartegen de mogelijkheid van bezwaar bestaat, miskennen [appellant] en anderen dat de bij het besluit op bezwaar te verrichten heroverweging er juist mede toe strekt eventueel aan de primaire besluitvorming klevende gebreken zo mogelijk te herstellen.

2.6.2. In artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening is niet de eis gesteld dat, alvorens ontheffing wordt verleend, dient vast te staan dat het onmogelijk is het vereiste aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren. Derhalve treft het betoog van [appellant] en anderen dat het college verzuimd heeft zulks te onderzoeken geen doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet kan worden verlangd dat voor de kiss-and-ride plaatsen op het terrein van het educatief centrum een apart parkeerterrein of een ondergrondse parkeergarage wordt aangelegd. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat in dat opzicht slechts gedurende twee korte perioden op een schooldag, te weten tussen 8:20 en 8:30 uur en tussen 15:30 en 15:40 uur, sprake is van parkeerdruk.

2.6.3. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat door het aanbrengen van een langsparkeerstrook aan de Ambachten voldoende ruimte beschikbaar is om te voorzien in de behoefte aan kiss-and-ride parkeerplaatsen. Het college heeft zich in het besluit van 12 augustus 2008 bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende kiss-and-ride parkeergelegenheid gebaseerd op het onderzoek van adviesbureau Arcadis (hierna: Arcadis) van 21 mei 2008. Arcadis heeft voor dit onderzoek aansluiting gezocht bij de normen uit de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2003)" van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Op basis daarvan heeft Arcadis geconcludeerd dat ter plaatse 23 kiss-and-ride parkeerplaatsen benodigd zijn en dat hierin kan worden voorzien door het realiseren van een langsparkeerstrook aan de Ambachten. Indien dit onvoldoende kiss-and-ride parkeergelegenheid oplevert, kan nog aan de andere kant van de Ambachten worden geparkeerd. Gezien de breedte van de weg en de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 km/uur levert dit volgens Arcadis geen onevenredige verkeershinder op. In het in beroep gestelde en de overgelegde foto's heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor de conclusie dat het gebruik van de langsparkeerstrook aan de Ambachten zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie ter plaatse. Daarbij heeft de rechtbank terecht waarde gehecht aan de ongedateerde brief van de heer Ariëns van politie Brabant Zuid-Oost, waaruit blijkt dat door de voorziene maatregelen, waaronder begrepen de langsparkeersstrook, het vaststellen van een maximum snelheid van 30 km/uur en het realiseren van een voetgangersoversteekplaats, een verkeersveilige omgeving voor kinderen wordt gecreëerd. Derhalve is voldoende aandacht besteed aan het aspect verkeersveiligheid.

Dat medewerkers van Arcadis niet zelf de locatie hebben bezocht, maar alleen van de kengetallen van het ASVV 2003 zijn uitgegaan, leidt niet tot de conclusie dat het rapport van Arcadis niet zorgvuldig tot stand is gekomen en het college dit niet aan het besluit van 12 augustus 2008 ten grondslag heeft mogen leggen. De door [appellant] en anderen in beroep overgelegde visie op het rapport van Arcadis leidt evenmin tot dit oordeel. Met die visie is niet aannemelijk gemaakt dat Arcadis onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Door [appellant] en anderen is niet met cijfers onderbouwd dat een groot aantal kiss-and-ride parkeerplaatsen dubbel bezet zullen zijn en de verkeersintensiteit groter zal zijn dan ingeschat door Arcadis. Dat, zoals is gebleken uit ter zitting getoonde foto's, op 9 december 2009 enkele auto's stonden geparkeerd op de kiss-and-ride parkeerplaatsen, leidt niet tot het oordeel dat aannemelijk is dat met die plaatsen niet is voorzien in voldoende parkeerruimte voor het halen en brengen van kinderen. Met de in de visie ingenomen stelling dat bij de berekening van het benodigde aantal kiss-and-ride parkeerplaatsen er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat deze plaatsen ten behoeve van de buitenschoolse opvang niet uitsluitend tussen 7.00 en 8.00 en 17.00 en 18.00 uur zullen worden gebruikt, maar tevens in de piekmomenten door busjes die leerlingen ophalen om naar andere locaties voor buitenschoolse opvang in Heeze te vervoeren, is evenmin aannemelijk gemaakt dat het aantal te realiseren kiss-and-ride parkeerplaatsen onvoldoende zal zijn.

2.6.4. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot verlening van ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening heeft kunnen besluiten.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 2.4.1. is overwogen, gegrond. De aangevallen uitsprak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderdendrieentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

17-552.