Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200902950/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] tot bekostiging van aangepast (taxi)vervoer van hun [zoon] naar en van school voor het schooljaar 2007-2008 afgewezen en een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer verstrekt ten bedrage van € 195,00.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/68

Uitspraak

200902950/1/H2.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Zoetermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2009 in zaak nr. 08/2112 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] tot bekostiging van aangepast (taxi)vervoer van hun [zoon] naar en van school voor het schooljaar 2007-2008 afgewezen en een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer verstrekt ten bedrage van € 195,00.

Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het college opnieuw over het daartegen gemaakte bezwaar van [appellanten] besloten en dit gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat hen een vergoeding voor het taxivervoer is toegekend van € 287,80 voor de woensdagmiddagen van 3 september 2007 tot en met 2 april 2008 en [zoon] op de woensdagmiddagen vanaf

9 april 2008 tot de zomervakantie 2008 gebruik mag maken van het door de gemeente verzorgde taxivervoer. Voor het overige is het verzoek van [appellanten] opnieuw afgewezen en ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2009, verzonden op 23 maart 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 18 november 2009 ter zitting gevoegd behandeld met de zaak nr. 200902952/1, waar [appellanten], vertegenwoordigd door S.H. de Bruine, adviseur leerlingenvervoer van de Vereniging Gereformeerd Primair Onderwijs West-Nederland, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Schepers en L.C.A. Straathof, beiden werkzaam bij de gemeente Zoetermeer, zijn verschenen.

Na de zitting is de zaak gesplitst van de zaak nr. 200902952/1.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) verstrekt het college ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerkosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met in achtneming van het bepaalde in de volgende leden.

Ingevolge het vierde lid voorziet de regeling erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Zoetermeer 2003 (hierna: de Verordening), wordt onder afstand verstaan de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.

Ingevolge die aanhef en onder h, wordt onder aangepast vervoer verstaan, vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi.

Ingevolge die aanhef en onder j wordt onder reistijd verstaan, de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens het schoolplan, minus maximaal 10 minuten indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan en de aankomst bij de woning.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a, verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 11, en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht.

Ingevolge artikel 29 kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.

2.2. [appellanten] en hun zoon [zoon] wonen in Zoetermeer. [zoon] is geboren op 11 april 1997. Zijn school ligt in Capelle aan den IJssel. [appellanten] voeren in hoger beroep aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het openbaar vervoer naar en van school geen passend vervoer is voor [zoon].

2.2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het oordeel over de passendheid van het openbaar vervoer voor [zoon] in rechte vast staat, nu zij hierover een oordeel heeft geveld in haar uitspraak van 12 februari 2008 en hiertegen geen hoger beroep is ingesteld. Daarmee heeft de rechtbank niet onderkend dat de uitspraak van 12 februari 2008 ziet op het schooljaar 2006-2007 en derhalve niet op het schooljaar dat hier aan de orde is. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog deze beroepsgrond beoordelen, nu de rechtbank hieraan niet is toegekomen.

2.2.2. Het betoog faalt nu [appellanten] hun stellingen dat het openbaar vervoer geen passend vervoer is voor [zoon] niet aannemelijk hebben gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door hen bij de aanvraag overgelegde verklaring van [persoon] niet volgt dat [zoon] niet, zonodig met begeleiding, met het openbaar vervoer kan reizen.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de informatie van de 9292-OV-planner voor het berekenen van [zoon]s reistijd. Zij voeren aan dat het college deze informatie niet dan na een correctie had mogen gebruiken en de rechtbank met haar oordeel voorbij gaat aan de geldende jurisprudentie betreffende het leerlingenvervoer. Volgens [appellanten] heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met een eenduidige reisroute voor [zoon], een wachttijd van vijf minuten bij de vertrekhalte, zijn werkelijke looproute op de voor hem voldoende begaanbare en veilige wegen, de looptijd van jonge kinderen van één kilometer in zeventien minuten in plaats van de looptijd van volwassenen waar de 9292-OV-planner vanuit gaat, en de werkelijke locatie van de school in plaats van de onjuiste locatie van de 9292-OV-planner. Verder voeren zij aan dat het college voor het bepalen van de reistijd van de terugreis rekening had moeten houden met het feitelijke tijdstip dat [zoon] de school kan verlaten, hetgeen tenminste vijf minuten is na het einde van zijn lessen.

2.4. Het college heeft in het besluit van 16 mei 2008 op grond van de informatie van de 9292-OV-planner geconcludeerd dat de reistijd als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j, van de Verordening van de heenreis van [zoon] naar school maximaal 59 minuten bedraagt. Ook in de berekeningen van [appellanten] bedraagt de reistijd minder dan anderhalf uur, zodat voor de heenreis niet wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bekostiging van aangepast vervoer. Dit geldt ook voor de terugreis van [zoon]. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Verordening is voor het berekenen van de terugreis niet het feitelijke tijdstip dat [zoon] op zijn vroegst de school kan verlaten, maar het einde van de schooldag volgens het schoolplan bepalend. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college terecht het einde van de schooldag als het begin van de reistijd voor de terugreis heeft aangemerkt. [zoon]s reistijd terug naar huis op de maandag-, dinsdag-, donderdag- en vrijdagmiddag bedraagt volgens het besluit van 16 mei 2008 83 minuten. Uit de berekeningen van [appellanten], verminderd met vijf minuten omdat moet worden uitgegaan van het einde van de schooldag volgens het schoolplan, volgt dat de reistijd op die middagen eveneens minder dan anderhalf uur bedraagt. Het betoog in hoger beroep treft in zoverre dan ook geen doel.

2.5. [appellanten] doen voorts een beroep op de hardheidsclausule van artikel 29 van de Verordening en voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de begeleiding van [zoon] 175 tot 205 minuten per reis vergt, waarvoor zij niet zelf kunnen zorgen vanwege het werk en de andere kinderen thuis, en zij geen andere begeleider voor [zoon] hebben kunnen vinden.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juni 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200706625/1">200706625/1</a>) is het uitgangspunt dat het in beginsel tot de verantwoordelijkheid van de ouders behoort om zorg te dragen voor de begeleiding van hun kinderen. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gezinsomstandigheden die in betekenende mate verschillen van die, die vele andere gezinnen op het punt van het begeleiden van de kinderen naar en van school ondervinden, of anderszins sprake is van een bijzonder geval, op grond waarvan het college af had moeten wijken van de Verordening. Het betoog faalt.

2.6. Onder verwijzing naar een medeleerlinge van [zoon] die in Zoetermeer woont, hebben [appellanten] een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Nu deze medeleerlinge niet in de buurt van [zoon] woont, het waarschijnlijk is dat zij andere reistijden heeft en [appellanten] evenmin anderszins aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een vergelijkbaar geval, heeft de rechtbank hierin terecht geen aanleiding gezien het besluit van 16 mei 2008 te vernietigen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kessels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

505-85-615.