Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200902857/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) een vergoeding voor door [wederpartij] op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 334,53.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902857/1/H2.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage, gevestigd te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 maart 2009 in zaak nr. 08/5543 in het geding tussen:

[wederpartij], kantoorhoudend te [plaats],

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) een vergoeding voor door [wederpartij] op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 334,53.

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2009, verzonden op 11 maart 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 februari 2008 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen met veroordeling van de raad in de door [wederpartij] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 mei 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 18 november 2009 ter zitting aan de orde gesteld.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) worden, indien de rechtsbijstandverlener blijkens zijn opgave aan het bureau recht heeft op betalingen van derden voor de kosten van de verlening van rechtsbijstand, anders dan op de voet van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deze bedragen tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering stelt de griffier uit het ingevolge het eerste lid ontvangen bedrag degene aan wie een toevoeging is verleend, zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. Het eventueel resterende bedrag voldoet de griffier, na aftrek van zijn verschotten, en de ingevolge artikel 37 van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat, procureur of deurwaarder te betalen vergoeding, aan de advocaat, procureur of deurwaarder.

2.2. Onder verwijzing naar een bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 17 juli 2007 (hierna: het college) in bezwaar toegekende kostenvergoeding van € 644,00, heeft de raad krachtens artikel 32, derde lid, van het Bvr bij besluit van 19 oktober 2007, gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2008, op de vergoeding voor [wederpartij] vanwege deze kostenvergoeding in mindering gebracht € 598,00, en € 46,00, vanwege de eigen bijdrage van de rechtzoekende, tot een bedrag van € 334,53.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] tegen de verlaging met € 598,00 gegrond verklaard en het besluit van 28 februari 2008 vernietigd, omdat uit het besluit van het college van 17 juli 2007 niet ondubbelzinnig zou blijken dat beoogd werd de kostenvergoeding ten gunste van [wederpartij] uit te betalen en deze is gestort op zijn derdengeldrekening, tot welke tegoeden hij niet is gerechtigd nu deze aan derden (cliënten) toekomen.

2.4. De raad voert in hoger beroep aan dat de vergoeding wel aan [wederpartij] is toegekend, nu het besluit van 17 juli 2007 aan hem is geadresseerd, dit als aanhef heeft "Geachte heer [wederpartij]", hierin voorts is vermeld "u ontvangt voor de gemaakte proceskosten € 644,00", en in dit besluit duidelijk een onderscheid is gemaakt tussen [wederpartij] enerzijds en de rechtzoekende anderzijds. De raad betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte tot veroordeling in de door [wederpartij] gemaakte proceskosten van € 322,00 is overgegaan.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 februari 2007 in zaak nr. 200604930/1) biedt artikel 32, derde lid, van het Bvr geen grondslag voor verrekening van de rechtstreeks aan de rechtzoekende toegekende vergoeding met de door het bureau aan de rechtsbijstandverlener te vergoeden bedragen. Zoals de raad terecht stelt, kan uit de redactie van het besluit van 17 juli 2007 niet worden afgeleid dat de vergoeding van € 644,00 rechtstreeks aan de rechtzoekende is toegekend, maar volgt hieruit dat [wederpartij] zelf recht heeft op deze kostenvergoeding. Gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, komt daarvan een bedrag van € 46,00 toe aan de rechtzoekende, zodat hij schadeloos wordt gesteld voor de door hem voldane eigen bijdrage. [wederpartij] heeft recht op het resterende bedrag, te weten € 598,00, zodat de raad dit bedrag gelet op het in artikel 32, derde lid, van het Bvr bepaalde terecht in mindering heeft gebracht op zijn vergoeding. Het ligt in een situatie als deze op de weg van [wederpartij] om ervoor te zorgen dat het college de kostenvergoeding op de juiste rekening overmaakt, zodat de raad terecht in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat het niet van belang is dat de betaling op de derdengeldrekening van [wederpartij] is overgemaakt.

De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 februari 2008 vernietigd. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank de raad eveneens ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 28 februari 2008 van de raad alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 maart 2009 in zaak nr. 08/5543;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kessels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

505-85-615.