Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200901878/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft de raad van de gemeente Alphen-Chaam (hierna: de raad) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het vestigen van een groepsaccommodatie in bestaande bebouwing op het perceel [locatie] te Chaam.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Gemeentewet
Gemeentewet 139
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/618
ABkort 2010/55

Uitspraak

200901878/1/H1.

Datum uitspraak:27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 februari 2009 in zaak nr. 08/2566 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de raad van de gemeente Alphen-Chaam

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft de raad van de gemeente Alphen-Chaam (hierna: de raad) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het vestigen van een groepsaccommodatie in bestaande bebouwing op het perceel [locatie] te Chaam.

Bij uitspraak van 5 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. B.M. Kocken, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de raad niet bevoegd was te beslissen op de aanvraag om vrijstelling van het bestemmingsplan.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan. De gemeenteraad kan deze vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet verbinden besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, geschiedt de bekendmaking door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave.

2.3. Vast staat dat de raad zijn vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO bij raadsbesluit van 6 oktober 2005 heeft gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam (hierna: het college). Bij besluit van 21 februari 2008 heeft de raad dit besluit vervolgens ingetrokken, voor zover het onder meer dit perceel betrof. De raad heeft dit besluit voorts weer ingetrokken bij besluit van 27 maart 2008 en daarbij tevens het besluit van 6 oktober 2005 volledig ingetrokken. Een besluit tot delegatie van een vrijstellingsbevoegdheid is een algemeen verbindend voorschrift. Dit treedt pas in werking indien het op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Vast staat dat de besluiten van 21 februari en 27 maart 2008 niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat het college bevoegd was te beslissen op de aanvraag om vrijstelling.

2.4. De raad betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij bevoegd was te beslissen op de aanvraag om vrijstelling van het bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat ook het besluit van 6 oktober 2005 nooit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en mitsdien eveneens niet in werking is getreden.

Ter adstructie van deze stelling heeft de raad kopieën van zogenoemde gemeentelijke informatiebulletins overgelegd. Deze bulletins zijn in de periode van 7 oktober 2005 tot en met 27 januari 2006 gepubliceerd in een tweetal gemeentebladen. Uit de publicaties blijkt niet van een bekendmaking van het besluit van 6 oktober 2005. Voorts heeft [wederpartij] geen enkel bewijs overgelegd om het tegendeel aannemelijk te maken. Ter zitting heeft hij in dit verband verklaard dat na onderzoek hem evenmin van een zodanige bekendmaking is gebleken. Gelet op deze omstandigheden kan van de stelling van de raad dat het besluit nooit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt worden uitgegaan. Anders [wederpartij] heeft aangevoerd, schept de veronderstelling van de raad dat hij de bevoegdheid wel op de juiste wijze had gedelegeerd en dat het college in andere projectprocedures heeft gehandeld als ware het daartoe bevoegd, geen bevoegdheid. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 februari 2009 in zaak nr. 08/2566;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op27 januari 2010

414-593