Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200808233/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2008, kenmerk 2008/0148382, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Losser (hierna: de raad) bij besluit van 26 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Luttermolenveld".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/172
BR 2010/69 met annotatie van E.W.J. de Groot
Module Ruimtelijke ordening 2010/2853
Module Ruimtelijke ordening 2010/5491 met annotatie van E.W.J. de Groot Mr. Egbert de Groot is advocaat bij AKD te Breda.

Uitspraak

200808233/1/R1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], en andere,

2. [appellant sub 2], wonend te [plaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van Losser,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], en anderen,

6. [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats],

7. de stichting Stichting De Lutte: Ons Dorp, gevestigd te De Lutte, gemeente Losser,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2008, kenmerk 2008/0148382, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Losser (hierna: de raad) bij besluit van 26 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Luttermolenveld".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2008, het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2008, [appellanten sub 5] (hierna: [appellanten sub 5]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2008, [appellanten sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2008, en de stichting Stichting De Lutte: Ons Dorp (hierna: Stichting De Lutte) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2008, beroep ingesteld. [appellante sub 1] en andere hebben hun beroep aangevuld bij brief van 22 december 2008. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 december 2008. [appellanten sub 5] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 januari 2009. [appellanten sub 6] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 28 februari 2009.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2], [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar [appellante sub 1] en andere, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en [gemachtigden], [appellant sub 2], in persoon, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door dr. J.W. van Zundert, R. Holsheimer-Wezeman, wethouder, en H.A.M. Plegt, ambtenaar in dienst van de gemeente, [appellant sub 4], in persoon, [appellanten sub 5], in de personen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5 A] en bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, Stichting De Lutte, vertegenwoordigd door dr. F. Leferink, J. Olde Rikkert en S. Scheper, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar in dienst van de provincie, en bijgestaan door dr. J.W. van Zundert, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door dr. J.W. van Zundert, R. Holsheimer-Wezeman en H.A.M. Plegt, voornoemd, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting is het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ingediend door [appellant sub 5 C], ingetrokken. Bij brief van 23 december 2009 is het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ingediend door [appellant sub 5 D], ingetrokken.

Planbeschrijving

2.2. Het bestemmingsplan ziet op het recreatiepark Luttermolenveld aan de oostzijde van de kern De Lutte. Met het plan wordt beoogd dit recreatiepark om te vormen tot woonwijk. Voorts voorziet het plan ter plaatse in enkele nieuwe woningbouwmogelijkheden. Ten behoeve van de bestaande centrumhal maakt het plan maatschappelijke voorzieningen, kantoren, detailhandel en dienstverlening mogelijk.

Ontvankelijkheid

2.3. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.1. De wetgever heeft het beroepsrecht tegen een besluit als het onderhavige beperkt tot degene die als belanghebbende kan worden aangemerkt teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.4. [appellanten sub 6] komen in beroep op tegen het besluit van het college voor zover daarmee goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan. [appellanten sub 6] wonen in de kern Losser op hemelsbreed ongeveer vier kilometer afstand van de grens van het plangebied. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstand van hun woning tot het plangebied niettemin een objectief en persoonlijk belang van [appellanten sub 6] rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Voor zover [appellanten sub 6] hebben gewezen op de als gevolg van het plan oplopende wachtduur voor een nieuwbouwkavel in de gemeente overweegt de Afdeling dat het in dat kader niet gaat om een rechtstreeks, maar om een indirect belang dat [appellanten sub 6] in onvoldoende mate onderscheidt van anderen.

De conclusie is dat [appellanten sub 6] geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn bij het bestreden besluit en dat zij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO geen beroep kunnen instellen.

Het beroep van [appellanten sub 6] is niet-ontvankelijk.

2.5. [appellant sub 2] komt in beroep onder meer op tegen de goedkeuring van de aanduiding "mast" aan de zuidwestzijde van het plangebied. [appellant sub 2] is eigenaar van de woning [locatie 1]. Deze woning bevindt zich te midden van andere woningen op een afstand van hemelsbreed ruim 400 meter van de plaats waar de mast is voorzien. Het plan laat voor de mast een hoogte van maximaal zestien meter toe. Niet is uitgesloten dat [appellant sub 2] vanuit zijn woning zicht zal hebben op een gedeelte van de mast. Dat [appellant sub 2] mogelijk vanuit zijn woning enig zicht heeft op de mast betekent echter nog niet dat zijn belang reeds hierom rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit op dit punt. De ruimtelijke uitstraling van de mast moet beperkt worden geacht. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de afstand in dit geval te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand niettemin een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2] rechtstreeks door dit onderdeel van het bestreden besluit wordt geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bij het bestreden besluit, voor zover dit de goedkeuring van de aanduiding "mast" betreft, en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.6. Het beroep van Stichting De Lutte voor zover gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding "mast" aan de zuidwestzijde van het plangebied, steunt niet op bij het college ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van Stichting De Lutte is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.7. [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid voor 20 woningen ter plaatse van het parkeerterrein bij de entree van het recreatiepark.

2.8. Ingevolge artikel 19, onder 19.1.1, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders het plan met toepassing van artikel 11 van de WRO wijzigen in die zin dat ter plaatse van de aanduiding "gebied wijzigingsbevoegdheid I" de bestemmingen worden gewijzigd in de bestemmingen "Woondoeleinden" en/of "Tuin" en/of "Groenvoorzieningen" en/of "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" en/of "Parkeerterrein", met dien verstande dat de in het plan bij die bestemming(en) genoemde voorschriften van overeenkomstige toepassing zijn en dat […] het aantal te bouwen woningen niet meer dan 20 mag bedragen […].

2.9. Ter plaatse van de gronden bij de entree van het recreatiepark met de bestemming "Parkeerterrein" noch anderszins is op de plankaart voorzien in een aanduiding voor een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwbouw van maximaal 20 woningen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat is verzuimd een dergelijke aanduiding op de plankaart in te tekenen. Dit betekent dat, daargelaten de aanleiding voor het college om goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid te onthouden, aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19 van de planvoorschriften geen toepassing kan worden gegeven. Goedkeuring van het planvoorschrift kan derhalve niet leiden tot het door [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders gewenste resultaat aangezien ook dan niet van de wijzigingsbevoegdheid gebruik gemaakt zou kunnen worden. Zij hebben dan ook geen belang bij een uitspraak op dit beroepsonderdeel.

De beroepen van [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.10. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Algemene bezwaren

2.11. Stichting De Lutte voert aan dat ten onrechte geen reële mogelijkheid tot inspraak is geboden. Daarbij wijst zij onder meer op hetgeen in de vergadering van de raad van 12 juli 2005 over het plan is gesteld.

2.12. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan vangt derhalve aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu de bezwaren van Stichting De Lutte aangaande de inspraak betrekking hebben op de fase vóór de terinzagelegging van het ontwerpplan op 13 juni 2007, kunnen deze geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen. Het betoog van Stichting De Lutte faalt.

2.13. Stichting De Lutte betoogt dat de raad de termijn als bedoeld in artikel 21, vierde lid, van de WRO niet in acht heeft genomen.

2.14. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van de WRO vervalt een voorbereidingsbesluit indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

2.15. Het niet in acht nemen van de termijn in artikel 21, vierde lid, van de WRO doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de raad een bestemmingsplan vast te stellen. Ook anderszins is een overschrijding van deze termijn niet van betekenis voor de bestemmingsplanprocedure. Het betoog faalt.

M.e.r.(-beoordelings)-plicht

2.16. Stichting De Lutte betoogt dat in verband met de wijziging van het recreatiepark welke betrekking heeft op een gebied groter dan 25 hectare, ten onrechte niet is bezien of een milieueffectrapport zou moeten worden gemaakt noch een ontheffing in dat verband is verleend.

2.17. Met haar betoog beroept Stichting De Lutte zich op onderdeel D, categorie 10.1, van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r. 1994) waaruit volgt dat in geval van de aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen indien de activiteit onder meer betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer, de procedure als bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8e van de Wet milieubeheer (hierna: m.e.r.-beoordeling) van toepassing is. Het bestemmingsplan voorziet voor verreweg de meeste percelen binnen het plangebied in de bestemming "Woondoeleinden". Aan een beperkt aantal percelen is de bestemming "Recreatiewoning" toegekend. Met het bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische status van het recreatiepark gewijzigd in een reguliere woonwijk met daarbij de mogelijkheid tot nieuwbouw van maximaal 250 woningen waarvan voor 104 woningen in de afgelopen jaren al bouwvergunning is verleend. Het bestemmingsplan heeft daarmee geen betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van recreatieve voorzieningen als bedoeld in het desbetreffende onderdeel van het Besluit m.e.r. 1994. Ook anderszins ziet de Afdeling in het betoog van Stichting De Lutte geen aanleiding voor het oordeel dat in deze situatie het maken van een milieueffectrapport dan wel een m.e.r.-beoordeling als verplichting uit het Besluit m.e.r. 1994 voortvloeit. Het betoog van Stichting De Lutte faalt.

Rijks-, regionaal en provinciaal beleid

2.18. Stichting De Lutte voert aan dat het plan, voor zover daarmee is voorzien in de bestemming "Woondoeleinden" voor de bestaande en nog te bouwen woningen op het recreatiepark, in strijd is met het rijksbeleid zoals vervat in de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 november 2003 (hierna: de VROM-brief). Het betreft volgens haar in dit geval geen schrijnende situatie van individuele bewoners als bedoeld in die brief. Verder wordt niet voldaan aan verschillende in die brief genoemde voorwaarden, aldus Stichting De Lutte. Ook is het plan volgens haar strijdig met het in het streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) neergelegde provinciale ecologische beleid en het in het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente (hierna: het Ontwikkelingsperspectief) opgenomen uitgangspunt dat het migratiesaldo nul dient te bedragen. De raad en het college hebben verder beslist op grondslag van onjuiste informatie en ten onrechte is eraan voorbijgegaan dat de indertijd beoogde participatiegraad van 95% van de eigenaren niet is gehaald, aldus Stichting De Lutte.

2.19. Het college kan instemmen met het toekennen van een woonbestemming voor verreweg de meeste recreatiewoningen en met de mogelijkheden voor nieuwbouw in het recreatiepark. Daarbij is op goede gronden gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het rijksbeleid in de VROM-brief en de Nota Ruimte biedt, aldus het college. Ook passen de omzetting van de recreatieve bestemming van de percelen in een woonbestemming en het toekennen van nieuwe bouwmogelijkheden in het provinciale beleid. Daarbij heeft het college, gelet op de ligging van het gebied in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en buiten de belemmeringslijn van De Lutte, gebruik gemaakt van de in het streekplan neergelegde afwijkingsprocedure.

2.20. In het door provinciale staten op 13 december 2006 vastgestelde Ontwikkelingsperspectief is als uitgangspunt opgenomen dat het migratiesaldo per gemeente nul dient te bedragen. Dat biedt de garantie voor opvangmogelijkheden voor de eigen bevolking. Niet is aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan met dit uitgangspunt in strijd is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het bestreden besluit de omvang van de bij het bestemmingsplan voorziene nieuwe woningbouw zodanig is dat binnen de planperiode aan de woningbehoefte in de gemeente Losser wordt voldaan.

2.20.1. Anders dan Stichting De Lutte heeft gesteld heeft het in de VROM-brief geformuleerde en in de Nota Ruimte neergelegde beleid niet alleen betrekking op individuele recreatiewoningen maar ook op complexen van recreatiewoningen.

Aan de omstandigheid dat niet uiterlijk op 31 december 2004, zoals in de VROM-brief is opgenomen, van gemeentewege is aangegeven dat het recreatiepark Luttermolenveld voor omzetting in een woongebied in aanmerking komt, komt geen betekenis toe, nu het rijksbeleid immers de bevoegdheid van de raad hiertoe te beslissen onverlet laat.

Anders dan in de VROM-brief als voorwaarde is aangegeven ligt het recreatiepark thans binnen de begrenzing van de EHS, welke begrenzing in Overijssel zeer ruim is neergelegd in het streekplan. Ook bevindt het plangebied zich buiten de in het streekplan opgenomen belemmeringslijn rond De Lutte. Op deze punten is de voorziene omzetting niet in overeenstemming met het in het streekplan neergelegde provinciale beleid. Het college heeft, naar ter zitting is bevestigd, in zoverre gebruik gemaakt van de afwijkingsprocedure. Stichting De Lutte heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze procedure onjuist is doorlopen dan wel dat de raad of het college heeft beslist op grondslag van onjuiste informatie. Het betreft inhoudelijk bezien een reeds grotendeels ontwikkelde enclave in de EHS, ingeklemd tussen de A1, de N735 en het dorp De Lutte. Niet is gebleken dat het plangebied wordt gekenmerkt door beschermingswaardige natuurwaarden. Evenmin is aannemelijk dat zich hier, gelet op de reeds aanwezige bebouwing, nog belangrijke natuurwaarden kunnen ontwikkelen. Daarbij heeft het college voorts kunnen betrekken dat onder meer het plangebied in de in concept vastgestelde herbegrenzing van de EHS vanwege de bebouwde situatie geen deel meer daarvan zal uitmaken en dat de VROM-inspectie heeft aangegeven met een herbegrenzing van de EHS in te stemmen.

In de plantoelichting is verder vermeld dat aan de hand van een aantal indicatoren is vastgesteld dat op 31 oktober 2003 in elk geval 158 van de 275 bestaande recreatiewoningen permanent bewoond werden. Stichting De Lutte heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal voor onjuist dient te worden gehouden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de woningen in het recreatiepark op de peildatum 31 oktober 2003 in grote mate althans niet 'niet of nauwelijks' zoals in de VROM-brief is vermeld, onrechtmatig permanent werden bewoond.

Volgens nader onderzoek voldoen de woningen op het recreatiepark waaraan thans een woonbestemming is toegekend, aan het Bouwbesluit 2003. In hetgeen Stichting De Lutte heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding daaraan te twijfelen.

Wat betreft de recreatiefunctie en een nieuwe behoefte aan recreatiewoningen laat de VROM-brief gemeenten en provincies ruimte om een eigen afweging te maken. Stichting De Lutte heeft, mede gelet op het reeds bestaande gebruik ter plaatse, niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een bestaande recreatiefunctie van het gebied die in gevaar komt. Niet is gebleken dat de ontwikkeling van nieuwe recreatieparken in de nabijheid van het recreatiepark Luttermolenpark een gevolg is van de met het bestemmingsplan beoogde omzetting van de recreatiefunctie.

Dat verder de in 2005 in eerste instantie beoogde participatiegraad van 95% van de eigenaren niet is gehaald leidt niet tot de conclusie dat het college het plan niet uitvoerbaar diende te achten. Uit de stukken volgt immers, hetgeen desverzocht ter zitting is bevestigd, dat uitvoering van het plan ook met een participatiegraad van 90% kan plaatsvinden.

2.20.2. Gelet op het vorenstaande heeft het college, mede gelet op de belangen die zijn betrokken bij de omzetting van de gebruiksfunctie van het recreatiepark, in redelijkheid ten behoeve van de omzetting van de recreatieve bestemmingen in bestemmingen voor woondoeleinden kunnen afwijken van het in het streekplan neergelegde beleid. Het college heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de in de VROM-brief geformuleerde en in de Nota Ruimte neergelegde voorwaarden althans heeft daarin geen aanleiding behoeven te zien voor een belangenafweging met een andere uitkomst.

Bestemming "Woondoeleinden" aan de Stellingmolen

2.21. [appellant sub 2] stelt in beroep dat het college plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" voor percelen aan de Stellingmolen ten onrechte heeft goedgekeurd. Naar de mening van [appellant sub 2] mogen hier ten onrechte twaalf blokken van 3-onder-een-kap woningen worden gebouwd. Dit is volgens hem strijdig met het in het beeldkwaliteitsplan Luttermolenveld van 26 januari 2007 gestelde open straatbeeld.

2.22. Op de plankaart is ter plaatse van de Stellingmolen, voor zover van belang, voorzien in de bestemming "Woondoeleinden" met zes u-vormige bouwvlakken. Ten behoeve van deze bouwvlakken is per bouwblok voorzien in de aanduiding "maximaal aantal eenheden 6". In het verleden zijn hier met het oog op dergelijke bebouwing funderingen aangebracht.

2.23. Dat de bouw van twaalf blokken van 3-onder-een-kap woningen aan de Stellingmolen het beeld van dit gedeelte van de wijk zal beïnvloeden acht de Afdeling aannemelijk. Het betreft evenwel een relatief beperkt aantal woningen dat in zijn uitvoering ook wordt beperkt door de ligging van de grenzen van de bouwvlakken. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bouwmogelijkheden een zodanige verdichting met zich brengen dat hierdoor het karakter van het grotendeels met vrijstaande woningen ingerichte recreatiepark ingrijpend zal wijzigen. Dat de bouwmogelijkheden strijdig zijn met het beeldkwaliteitsplan heeft [appellant sub 2] evenmin aannemelijk gemaakt. In het beeldkwaliteitsplan zelf wordt al rekening gehouden met de bouw van deze twaalf blokken van 3-onder-een-kap woningen.

Goothoogte en dakhelling

2.24. [appellant sub 2] stelt verder in beroep dat het college ten onrechte artikel 3, onder 3.2.1, van de planvoorschriften heeft goedgekeurd voor zover het betreft de maximumgoothoogte van vier meter en het percentage van 25 tot en met 60 voor de dakhelling van woningen. Hij acht de regeling, mede daarbij betrokken de algemene vrijstellingsregeling, strijdig met de bestaande ruimtelijke kwaliteit van het gebied en het beeldkwaliteitsplan Luttermolenveld. In het vorige bestemmingsplan was de goothoogte maximaal 3,5 meter en was het dakhellingspercentage maximaal 45, aldus [appellant sub 2].

2.25. Ingevolge artikel 3, onder 3.2 en 3.2.1, sub f en h, van de planvoorschriften mogen op de tot "Woondoeleinden" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor hoofdgebouwen in casu woonhuizen is bepaald dat de goothoogte niet meer bedraagt dan vier meter en de dakhelling niet minder dan 25% en niet meer dan 60% bedraagt.

Ingevolge artikel 18, onder a, sub 1, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de bij recht in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Onder b is bepaald dat vrijstelling slechts wordt verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

2.26. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat de nieuwe woonbebouwing door de verruimde bouwmogelijkheden een andere verschijningsvorm kan aannemen dan de bestaande, oorspronkelijk als recreatiewoning gebouwde objecten. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college op dit punt niet in redelijkheid met die verruiming heeft kunnen instemmen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het een beperkte verruiming betreft, dat de verruiming in relatie tot de wijziging van de bestemmingsregeling voor het gebied moet worden gezien en dat deze verruiming ook geldt voor de bestaande als "Woondoeleinden" bestemde woningen. Hierbij komt voorts dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de verruimde bouwmogelijkheden een onaanvaardbare situatie ontstaat uit een oogpunt van uitzicht en privacy. Dat deze mogelijkheden zich niet zouden verhouden tot het beeldkwaliteitsplan, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt. Wat betreft de verwijzing door [appellant sub 2] naar de algemene vrijstellingsbepaling overweegt de Afdeling dat ook het vorige bestemmingsplan een dergelijke vrijstellingsregeling kende en dat bij de toepassing daarvan acht zal moeten worden geslagen op de omgeving van het bouwplan.

Conclusie bestemming "Woondoeleinden" en bijbehorende voorschriften

2.27. Uit 2.17., 2.20.2., 2.23. en 2.26. volgt de conclusie dat hetgeen Stichting De Lutte en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" alsmede artikel 3, onder 3.2 en 3.2.1, sub f en h, van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van Stichting De Lutte en [appellant sub 2] zijn op deze punten ongegrond.

Bestemming "Recreatiewoning"

2.28. [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Recreatiewoning" voor hun percelen in het plangebied. Zij wensen allen een woonbestemming voor hun percelen. Daartoe voeren zij aan dat het niet geoorloofd is een bestemmingsplanwijziging uitsluitend afhankelijk te stellen van het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst met een projectontwikkelaar ten gevolge waarvan ten gunste van deze een bijdrage moet worden gestort. Daarbij komt dat het door de projectontwikkelaar aan de eigenaren gevraagde bedrag volgens hen niet deugdelijk is onderbouwd, hoger is dan nodig voor de voorzieningen in de nieuwe woonwijk en daarmee hoger is dan zij wensen te betalen. Ook verschillen de financiële voorwaarden die aan de bewoners worden gesteld, van die voor de projectontwikkelaar die ook grondeigenaar is. De projectontwikkelaar heeft tot dusver niets bijgedragen. Het bestemmingsplan is volgens [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] niet vastgesteld met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Het toelaten van op zichzelf staande recreatiewoningen midden in een woonwijk impliceert volgens hen bovendien geen goede belangenafweging.

2.29. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de raad dat uit een oogpunt van uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan een beperkt aantal percelen geen woonbestemming kan worden toegekend. Het college heeft het belang benadrukt van het verwezenlijken van een woonwijk met voldoende ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor zullen verschillende belangrijke wijkvoorzieningen moeten worden aangelegd. De aanleg daarvan is financieel zeker gesteld door een tussen de gemeente en de vennootschap onder firma VOF Luttermolenveld gesloten exploitatieovereenkomst. Het college acht het reëel en redelijk dat de eigenaren die meeprofiteren van de omzetting van het recreatiepark naar een woonwijk, een bijdrage leveren in de kosten van de uitvoering van het plan. Overigens acht het college de aanwezigheid van een beperkt aantal percelen met een recreatieve bestemming niet bezwaarlijk.

2.30. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie 1].

[appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn de volgende personen die eigenaar zijn van de daarbij genoemde percelen:

- [appellant sub 4], [locatie 2];

- [appellant sub 5 E], [locatie 3];

- [appellant sub 5 F], [locatie 4];

- [appellant sub 5 G], [locatie 5];

- [appellanten sub 5 H], [locatie 6];

- [appellanten sub 5 I], [locatie 7];

- [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B], [locatie 8];

- [appellanten sub 5 J], [locatie 9];

- [appellanten sub 5 K], [locatie 10];

- [appellant sub 5 L], [locatie 11];

- [appellant sub 5 M], [locatie 12];

- [appellant sub 5 N], [locatie 13];

- [appellant sub 5 O], [locatie 14];

- [appellant sub 5 P], [locatie 15];

- [appellant sub 5 Q], [locatie 16];

- [appellant sub 5 R], [locatie 17] en [locatie 18].

2.31. Uit het bestreden besluit, de aan het vaststellingsbesluit ten grondslag liggende stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat ten behoeve van de hier aan de orde zijnde percelen is voorzien in een voortzetting van de vorige recreatieve bestemming om de enkele reden dat de eigenaren niet akkoord zijn gegaan met de door de projectontwikkelaar gevraagde bijdrage in de kosten van de algemene voorzieningen ten behoeve van de wijziging van het recreatiepark in een gewone woonwijk. Aan de keuze door de raad voor een recreatieve bestemming voor deze percelen liggen derhalve geen andere ruimtelijk relevante argumenten ten grondslag. Voor zover als onderbouwing voor het niet toekennen van een woonbestemming, maar handhaven van de recreatieve bestemming door de raad en het college is gewezen op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat de raad is overgegaan tot vaststelling van het bestemmingsplan in de wetenschap dat de projectontwikkelaar niet met alle eigenaren van de recreatiewoningen tot overeenstemming inzake de bijdrage in de kosten is gekomen. Daarmee is de raad er derhalve van uitgegaan dat de omzetting van het recreatiepark in een gewone woonwijk, ondanks het ontbreken van wilsovereenstemming met en betaling door alle eigenaren en ondanks het in de stukken genoemde exploitatietekort van ongeveer één miljoen euro, uitvoerbaar wordt geacht. Dat het plan in zoverre uitvoerbaar is, is ook ter zitting door de projectontwikkelaar bevestigd. Het al dan niet omzetten van de recreatiebestemming in een woonbestemming voor de thans aan de orde zijnde percelen kan dan ook geen verband houden met de uitvoerbaarheid van de beoogde omzetting. Nu de raad en het college niet aan de hand van andere ruimtelijk relevante argumenten hebben onderbouwd waarom voor de percelen van [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] niet voor een omzetting van de recreatiebestemming in een woonbestemming is gekozen, moet het er thans voor worden gehouden dat een voortzetting van de recreatieve bestemming voor deze percelen niet passend is.

2.31.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Recreatiewoning" voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7], [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11], [locatie 12], [locatie 13], [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door deze plandelen goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De overige beroepsgronden ten aanzien van deze plandelen kunnen gelet hierop buiten bespreking blijven.

2.31.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan de in 2.31.1. genoemde plandelen.

Nieuwbouwmogelijkheid geluidswalwoningen

2.32. [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" en artikel 4 van de planvoorschriften ten behoeve van een bouwmogelijkheid voor 20 woningen in de geluidswal van rijksweg A1. Zij voeren aan dat deze woningen nodig zijn voor de afbouw van het woongebied. Daarbij voert het college van burgemeester en wethouders aan dat van gemeentewege is aangegeven dat de uitvoerbaarheid van het plan door de voorgenomen onthouding van goedkeuring in het gedrang kan komen. [appellante sub 1] en andere achten het besluit in strijd met de rechtszekerheid omdat het college in het voortraject geen kritiek op het plan heeft geuit.

2.33. Het college heeft vastgesteld dat de woningbouwmogelijkheden zien op gronden die zijn gelegen buiten de bebouwingsgrenzen van het vorige bestemmingsplan. Het heeft aan deze 20 extra mogelijkheden goedkeuring onthouden omdat niet is aangetoond dat de bouw daarvan noodzakelijk is voor de afbouw van het woongebied en de totstandkoming van een volwaardige woonwijk. De woningen zijn volgens het college niet nodig om de kwaliteit van het woongebied te verhogen.

2.34. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is voorzien in het plandeel met de bestemming "Woongebouwen". Ingevolge artikel 4, onder 4.1, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor het wonen in woongebouwen, met daarbij behorende gebouwen, andere-bouwwerken, geluidwerende voorzieningen, tuinen en erven. Niet in geschil is dat hier de bouw van 20 woningen mogelijk is.

2.35. De door [appellante sub 1] en andere gestelde omstandigheid dat het college in de beginfase van de bestemmingsplanprocedure geen kritiek op de bouw van de geluidswalwoningen heeft geuit, leidt niet tot de conclusie dat het college om die reden geen goedkeuring meer mocht onthouden aan deze bouwmogelijkheid. Een dergelijke gevolgtrekking zou immers de bevoegdheid van het college te beslissen over de goedkeuring van het bestemmingsplan te vergaand inperken. Er is geen rechtsregel die bepaalt dat alleen goedkeuring kan worden onthouden als eerder in de procedure kritiek is geuit.

2.35.1. Niet in geschil is dat met de 20 geluidswalwoningen in extra woningen wordt voorzien buiten het kader van het vorige bestemmingsplan en dat dit moet worden gezien als een uitbreiding van de woonbebouwing van de kern De Lutte. Dat dit woningaantal nodig is voor de lokale behoefte in deze kern is niet komen vast te staan. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van deze woningen niet nodig is voor de afbouw en omzetting van het recreatiepark in een reguliere woonwijk. Daarbij is voorts van belang dat ter zitting van de zijde van de projectontwikkelaar desverzocht is meegedeeld dat de bouwmogelijkheid voor de geluidswalwoningen, hoewel van financieel belang voor het gehele project, daarvoor niet doorslaggevend is en dat het bestemmingsplan ook zonder de gedeelten waaraan geen goedkeuring is verleend, uitvoerbaar is.

2.35.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woongebouwen" en artikel 4 van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders zijn op dit punt ongegrond.

Detailhandel sector non food

2.36. [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de mogelijkheid voor detailhandel in de sector non food ter plaatse van de zogenoemde centrumhal. Volgens [appellante sub 1] en andere valt, gelet op de ligging van deze hal nabij een verkeersader van en naar Duitsland, niet uit te sluiten dat het gaat om een meer dan lokale voorziening. Evenmin valt uit te sluiten dat een behoefte aan een dergelijke voorziening zich zal ontwikkelen. Het college had op dit punt van het streekplan kunnen afwijken, aldus [appellante sub 1] en andere. Volgens het college van burgemeester en wethouders heeft het college niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de afweging betrokken.

2.37. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de zinsnede "detailhandel in de sector non food" in artikel 8.1 van de planvoorschriften. Deze zinsnede maakt volgens hem de vestiging van grootschalige detailhandel of perifere detailhandel mogelijk in de centrumhal. Het provinciale ruimtelijke beleid maakt vestiging van dergelijke detailhandel bij kleine kernen als De Lutte niet mogelijk, aldus het college.

2.38. Ten behoeve van de centrumhal is voorzien in de bestemming "Gemengde doeleinden". Ingevolge artikel 8, onder 8.1, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, kantoren en horeca-bedrijven als genoemd in categorie I, II en III van de lijst van horecabedrijven, detailhandel in de sector non food, detailhandel in de food-sector met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.500 m².

2.39. Niet in geschil is dat de zinsnede "detailhandel in de sector non food" in artikel 8, onder 8.1, van de planvoorschriften, mede gelet op de omvang van de centrumhal van 7.000 m², het mogelijk maakt dat de centrumhal op kortere of langere termijn voor grootschalige detailhandel in gebruik zal worden genomen. Evenmin is in geschil dat een dergelijk gebruik in strijd is met het geldende provinciale beleid dat als uitgangspunt heeft dat dergelijke detailhandel zich vestigt in of aansluitend aan de stedelijke gebieden in de stadsgewesten of in de streekcentra. In hetgeen [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hier sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat het college niet in redelijkheid aan het provinciale beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij overweegt de Afdeling dat de bestemmingsregeling voor de centrumhal verschillende andere functies mogelijk maakt die niet worden geraakt door deze onthouding van goedkeuring, en dat verder niet aannemelijk is gemaakt dat een gebruik overeenkomstig die functies niet haalbaar is.

2.39.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zinsnede "detailhandel in de sector non food" in artikel 8, onder 8.1, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders zijn op dit punt ongegrond.

Detailhandel sector food

2.40. Stichting De Lutte voert aan dat de leefbaarheid en sociaal-economische ontwikkeling van De Lutte wordt aangetast vanwege de bestemmingsregeling inzake detailhandel in de sector food voor de centrumhal.

2.41. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat het toestaan van in totaal 1.500 m2 verkoopvloeroppervlak voor detailhandel in de food-sector, gelet op de distributieve analyse van I & O Research van mei 2005, geen problemen zal opleveren voor de voorzieningen en de leefbaarheid in De Lutte.

2.42. Ingevolge artikel 8, onder 8.1, van de planvoorschriften zijn de als "Gemengde doeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor detailhandel in de food-sector met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.500 m².

2.42.1. In voormelde distributieve analyse wordt geconcludeerd dat wat betreft het dagelijkse winkelaanbod in De Lutte slechts een toename van de verkoopvloeroppervlakte past met 450 m2. Meer marktruimte is volgens de analyse alleen mogelijk wanneer wordt voorzien in een sterke bovenlokale behoefte. Gezien de regionale verzorgingsstructuur en het koopgedrag van consumenten is het genereren van een geheel nieuwe stroom van regionale toevloeiing in de dagelijkse sector een zware opgave, aldus de distributieve analyse.

2.43. Uit de distributieve analyse volgt dat met een verkoopvloeroppervlakte van 1.500 m² voor De Lutte meer distributieve ruimte wordt geboden voor detailhandel in de sector food dan als lokale voorziening nodig zou zijn. Uit de distributieve analyse volgt evenwel ook dat op regionaal niveau meer marktruimte aanwezig wordt geacht. In dit geval is van belang dat, zoals het college heeft overwogen, van de voornoemde 1.500 m² al 1.000 m² voor winkelruimte is vergund bij de bouw van de centrumhal. Niet is aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat de resterende 500 m² is bedoeld ten behoeve van uitbreiding en daarvoor ook zal worden aangewend, onjuist is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geboden verkoopoppervlakte niet bovenmatig is. Dat een dergelijke invulling gevolgen zal hebben voor de bestaande winkelvoorzieningen in de sector food in De Lutte is niet uitgesloten. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat om die reden voor een aantasting van de leefbaarheid en sociaal-economische ontwikkeling in De Lutte, meer in het bijzonder een ontwrichting van de voorzieningenstructuur in de sector food, zou moeten worden gevreesd. Van een dergelijke ontwrichting zou immers eerst sprake kunnen zijn indien voor de bewoners van De Lutte geen voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woningen hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Dat een dergelijke situatie zich zal voordoen is niet aannemelijk gemaakt, reeds gelet op de omstandigheid dat het huidige recreatiepark Luttermolenveld met de centrumhal aan de bestaande bebouwing van De Lutte grenst.

2.43.1. De conclusie is dat hetgeen Stichting De Lutte heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zinsnede "detailhandel in de food-sector met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.500 m2" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting De Lutte is op dit punt ongegrond.

Proceskosten

2.44. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door [appellant sub 2] opgevoerde kosten voor een deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking reeds vanwege de omstandigheid dat deze kosten niet zijn gemaakt met het oog op de behandeling van het ingestelde beroep. Wat betreft [appellante sub 1] en andere, het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 6] en Stichting De Lutte bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk:

a. het beroep van [appellanten sub 6];

b. de beroepen van [appellant sub 2] en de stichting Stichting De Lutte: Ons Dorp voor zover deze de goedkeuring van de aanduiding "mast" betreffen;

c. de beroepen van [appellante sub 1] en andere en het college van burgemeester en wethouders van Losser, voor zover deze de onthouding van goedkeuring aan artikel 19, onder 19.1.1, van de planvoorschriften betreffen;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] geheel en het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 14 oktober 2008, kenmerk 2008/0148382, voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Recreatiewoning" voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7], [locatie 8], [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11], [locatie 12], [locatie 13], [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18];

IV. onthoudt goedkeuring aan de plandelen als bedoeld onder III.;

V. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder IV. bepaalde in de plaats treedt van het besluit van 14 oktober 2008;

VI. verklaart de beroepen van de stichting Stichting De Lutte: Ons Dorp, [appellante sub 1] en andere, [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Losser voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij:

a. [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 43,39 (zegge: drieënveertig euro en negenendertig cent);

b. [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,39 (zegge: vijfenveertig euro en negenendertig cent);

c. [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2];

b. € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 4];

c. € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

371.