Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200904703/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904703/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 juni 2009 in zaak nr. 09/242 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2009, verzonden op 26 juni 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R.G.J. Wildemors, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een exploitatievergunning voor een horecagelegenheid in de gemeente Groningen.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij het beoordelen van aanvragen om een VOG geeft de minister toepassing aan de Beleidsregels VOG NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de beleidsregels), vastgesteld bij besluit van de minister van 1 april 2008 (Stcrt. 2008, 119).

Volgens paragraaf 3. van de beleidsregels wordt een VOG zonder meer afgegeven, indien de aanvrager in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn, die in beginsel vier jaren bedraagt, niet in de justitiële documentatie voorkomt. Worden binnen de terugkijktermijn justitiële gegevens aangetroffen, dan beoordeelt het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag.

Komt een aanvrager wel voor in de justitiële documentatie, dan wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2. betreft het op artikel 35 van de Wjsg gebaseerde objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het betreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3. kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium afgegeven. Volgens paragraaf 3.3.2. ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen voor de afgifte van een VOG, hanteert de minister een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen die zijn neergelegd in een bijlage bij de beleidsregels. Uit het in de bijlage opgenomen screeningsprofiel "horeca leidinggevenden" volgt onder meer dat personen in functies die onder dit screeningsprofiel vallen, vanuit hun functie mensen en/of een organisatie aansturen en zijn belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen in het algemeen. Zij onderhouden contacten met leveranciers, doen aanbestedingen en voeren onderhandelingen en sluiten contracten af. Daarnaast bestaat hun belangrijkste bezigheid uit het verkopen van goederen en producten zoals (alcoholische) drank en etenswaren. Door het verkopen van onder andere ondeugdelijke producten of goederen, het schenken van alcoholische dranken aan minderjarigen en de handel in drugs en dergelijke bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van personen, goederen en de volksgezondheid in het algemeen. Door toegang te hebben tot de goederen, gelden, et cetera van het bedrijf, bestaat de mogelijkheid van misbruik ten eigen bate, diefstal en verduistering.

2.3. De minister heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] in eerste aanleg is veroordeeld wegens handelen in strijd met de Opiumwet tot een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis waarvan 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. In de woning van [appellant] is minimaal 25 kilogram softdrugs aangetroffen, hetgeen meer is dan de volgens de zogenoemde AHOJ-G-criteria gedoogde handelsvoorraad van 500 gram softdrugs. Indien voornoemd strafbaar feit wordt herhaald, vormt dit een risico voor de samenleving. De minister betoogt dat een verhoogde kans bestaat dat illegale praktijken met betrekking tot verdovende middelen buiten het gedoogbeleid om worden ontwikkeld. In dat geval bestaat een gevaar voor het welzijn en de veiligheid van personen en de volksgezondheid in het algemeen. Voorts acht de minister het van belang dat [appellant] recent in eerste aanleg veroordeeld is, waarbij de rechter een relatief zware straf heeft opgelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat het uitvoeren van het Nederlandse coffeeshopbeleid niet mogelijk is zonder de Opiumwet te overtreden. Voor het exploiteren van zijn coffeeshops is hij genoodzaakt elders een grote voorraad softdrugs aan te houden. De minister heeft volgens [appellant] dan ook onterecht aangenomen dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs geacht kan worden te zijn bestemd voor de illegale handel. De voorraad was alleen bestemd voor de verkoop in zijn coffeeshops. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het niet correct om hem te bestempelen als een risico voor de samenleving, indien hij aan de achterdeur de Opiumwet overtreedt.

2.4.1. Dit betoog faalt. Vaststaat dat [appellant] recent is veroordeeld voor het opzettelijk in bezit hebben van 25 kilogram softdrugs. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de aanwezigheid van een grote hoeveelheid softdrugs, indien herhaald, een risico voor de samenleving inhoudt. De enkele stelling van [appellant] dat deze bestemd is voor de bevoorrading van zijn coffeeshops maakt dat niet anders, omdat het risico in objectieve zin wordt beoordeeld. Subjectieve omstandigheden spelen daarbij geen rol. Om die reden kan het betoog van [appellant] dat de lokale omstandigheden ten onrechte niet door de minister zijn meegewogen evenmin slagen. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid softdrugs brengt een verhoogd risico op criminaliteit en overlast met zich. Bovendien bestaat een gevaar voor het welzijn en de veiligheid van personen in de directe omgeving van [appellant] en de volksgezondheid in het algemeen.

Gelet op het bovenstaande kan het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tegen een handelsvoorraad onder de 500 gram in beginsel door het OM niet wordt opgetreden omdat dit naar hij stelt alleen geldt als deze voorraad aanwezig is in de coffeeshop, buiten bespreking blijven.

2.5. [appellant] betwist voorts dat hem door de strafrechter een bijzonder zware straf is opgelegd. Voor dergelijke overtredingen is de taakstraf van 120 uur die de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd eerder gebruikelijk dan uitzonderlijk. In het primaire besluit wordt volgens [appellant] niet toegelicht waaruit blijkt dat de strafrechter hem de bewezen verklaarde feiten streng aanrekent. Hij betoogt dat hierdoor de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen.

2.5.1. Dit betoog faalt. Gelet op de aard van het misdrijf waarvoor [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld, het geringe tijdsverloop sindsdien en de kans op recidive, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister het belang van het verminderen van het risico voor de samenleving in dit geval in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de door [appellant] gestelde persoonlijke belangen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

312-637.