Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200902923/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik als buurtspeelterrein van het schoolplein van de J.S. Sweelinckschool op het perceel Groenoord 247-249 te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/209
Module Ruimtelijke ordening 2010/1345
ABkort 2010/56

Uitspraak

200902923/1/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2009 in zaak nr. 07/2497 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het gebruik als buurtspeelterrein van het schoolplein van de J.S. Sweelinckschool op het perceel Groenoord 247-249 te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 30 oktober 2006 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 12 maart 2009, verzonden op 18 maart 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 februari 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.G. van Poppel, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek om handhaving en het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 oktober 2006 tot weigering om handhavend op te treden hebben betrekking op het gebruik als speelterrein van het schoolplein buiten schooltijden. Het schoolplein is gelegen op gronden die eigendom zijn van Scope scholengemeenschap en is afgesloten met een hek. Blijkens de tussen de gemeente Alphen aan den Rijn en Scope scholengemeenschap gesloten overeenkomst van 15 december 2006 draagt Scope scholengemeenschap er zorg voor dat de speeltoestellen op het schoolplein openbaar toegankelijk zijn voor kinderen tot circa 13 jaar, buiten schooltijd, inclusief vakanties en weekeinden, vanaf uiterlijk 9.00 uur tot circa 22.00 uur.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ridderveld I" en het daarbij behorende uitwerkings- cq. wijzigingsvoorschrift "Groenoord" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, scholen, met bijbehorende erven (BDS)".

Ingevolge artikel 10, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor scholen, met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen en andere bouwwerken, andere werken, tuinen en speelterreinen.

Ingevolge artikel 39, aanhef en eerste lid, onder d, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de krachtens het plan gegeven bestemming nadat deze overeenkomstig het plan is gerealiseerd.

Ingevolge artikel 40, onderdeel II, mag - onverminderd het bepaalde in enige provinciale of gemeentelijke verordening - het op het tijdstip van de ter visielegging van het ontwerpplan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met het in het plan voorgeschreven gebruik in strijd is, worden voortgezet, met dien verstande dat:

1. de bestaande afwijking naar de aard niet zal worden vergroot of bezwaard;

2. bedoeld gebruik na de feitelijke beëindiging daarvan, niet mag worden hervat.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik als speelterrein van het schoolplein buiten schooltijd in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Het college voert daartoe aan dat in het bestemmingsplan uitdrukkelijk is bepaald dat het perceel onder meer bestemd is voor speelterrein en dat in het bestemmingsplan geen tijdstippen zijn opgenomen waaraan het gebruik van het speelterrein gebonden is. Volgens het college betekent een algemeen gebruikelijke uitleg van de bestemming scholen dat het schoolplein ook na schooltijd door kinderen mag worden gebruikt. Het college wijst er voorts op dat het schoolplein in de praktijk wordt gesloten als de schemering invalt en derhalve doorgaans niet tot 22.00 uur toegankelijk is.

2.3.1. Uit de tekst van artikel 10 van de planvoorschriften heeft de rechtbank terecht afgeleid dat het speelterrein ingevolge het bestemmingsplan bij de school hoort en derhalve ook ten behoeve van de school gebruikt moet worden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan het schoolplein feitelijk, overeenkomstig de overeenkomst van 15 december 2006, een zelfstandige functie als speelterrein is toegekend door het schoolplein buiten schooltijden openbaar toegankelijk te maken voor kinderen. Omdat het gebruik van het speelterrein buiten schooltijden geheel los staat van de school, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4. Het college betoogt subsidiair dat de rechtbank heeft miskend dat er geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het schoolplein omdat het in artikel 40, onderdeel II, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksovergangsrecht van toepassing is. Het college voert daartoe aan dat het schoolplein al sinds de oprichting van de school, en derhalve voor het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpplan, door kinderen uit de buurt na schooltijd wordt gebruikt om te spelen.

2.4.1. Vast staat dat in de oude situatie bij de school een bord "verboden toegang voor onbevoegden" was geplaatst. De rechtbank heeft hieruit terecht geconcludeerd dat het gebruik van het schoolplein buiten schooltijden niet was toegestaan. Dit bord is nu verwijderd en in de huidige situatie zijn het schoolplein en de daar aanwezige door de gemeente gefinancierde speeltoestellen dagelijks tot 22.00 uur openbaar toegankelijk voor kinderen tot ongeveer 13 jaar. Het college heeft zijn stelling dat het plein al op deze wijze werd gebruikt voor het tijdstip van ter visielegging van het ontwerpbestemmingsplan niet onderbouwd. Omdat de functie van het schoolplein hierdoor is gewijzigd, het gedeeltelijk is verplaatst en, zoals ter zitting is gebleken, vergroot en voorzien van een groter aantal speeltoestellen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat na de vernieuwing van het schoolplein geen sprake is van voortzetting van een bestaand gebruik van het plein. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het overgangsrecht ingevolge artikel 40, onderdeel II, onder 1, van de planvoorschriften niet van toepassing is en dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik als speelterrein van het schoolplein buiten schooltijd. Het betoog faalt.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een concreet zicht op legalisering bestaat omdat het gebruik van het speelterrein buiten schooltijden ingevolge het nieuwe bestemmingsplan "Ridderveld" wel zal zijn toegestaan.

Voor een concreet zicht op legalisering ten tijde van het besluit op bezwaar is ten minste vereist dat op dat moment een ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, hetgeen zich hier niet voordeed.

2.7. Het college betoogt voorts dat niet van hem gevergd kan worden handhavend op te treden tegen het gebruik als speelterrein buiten schooltijden. Het college wijst er in dit verband op dat vrijwel overal in Nederland de gewoonte is ontstaan om schoolpleinen na schooltijd als kinderspeelplaats te gebruiken en dat mensen er redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat hun kinderen op schoolpleinen kunnen spelen. Bovendien is volgens het college gebleken dat de geluidsoverlast van omwonenden niet zodanig is dat dit tot handhaving noopt.

2.7.1. Het betoog faalt. Slechts indien handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, behoort van optreden in die concrete situatie te worden afgezien. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan kon worden afgezien van handhaving. Het college heeft ten onrechte volstaan met een afweging van belangen van enerzijds [wederpartij] en anderzijds die van buurtkinderen om op het schoolplein te kunnen spelen en heeft het algemeen belang dat met handhaving is gediend onvoldoende vooropgesteld. De omstandigheid dat [wederpartij] geen buitensporige geluidhinder ondervindt als gevolg van het gebruik van het schoolplein buiten schooltijden, wat daarvan ook zij, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving kon worden afgezien. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

357-604.