Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200903620/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met mestopslag en mesttransport aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 9 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/235

Uitspraak

200903620/1/M2.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met mestopslag en mesttransport aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 9 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellant sub 1] zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2009, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door ing. M.M.J. Pijnenburg en E.D.M. van Grinsven, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghoudster] als partij gehoord.

2. Overwegingen

Inleiding

2.1. Bij besluit van 2 december 2003 is voor de inrichting gelegen aan de [locatie 2] en de [locatie 1] te Vianen een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van fok- en vleesvarkens. De inrichting is later gesplitst en verkocht aan twee verschillende eigenaren. [vergunninghoudster] heeft vervolgens voor de inrichting aan de [locatie 1] een aanvraag voor een revisievergunning ingediend.

Intrekking beroepsgrond

2.2. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroepsgrond dat het traditionele huisvestingssysteem ten onrechte niet voldoet aan het vereiste dat in de inrichting de beste daarvoor in aanmerking komende beschikbare technieken worden toegepast ter zitting ingetrokken.

Ontvankelijkheid beroep [appellant sub 2] en anderen

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, met uitzondering van [appellant sub 2 A], niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren hebben gebracht. In dit verband wijst het college erop dat bij de door [appellant sub 2 A] en [appellant sub 1] naar voren gebrachte zienswijze weliswaar een machtiging was gevoegd waaruit blijkt dat [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 2 A] en [appellant sub 1] hebben gemachtigd om hen te vertegenwoordigen, maar deze machtiging is volgens het college verleend voor het voeren van procedures in verband met de milieuvergunningaanvraag voor een andere inrichting, namelijk het varkensbedrijf aan de [locatie 2] te [plaats].

Voorts stelt het college dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2 B], [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D], niet-ontvankelijk is, daar zij geen zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren hebben gebracht.

2.3.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.2. Bij de door [appellant sub 2 A] en [appellant sub 1] ingediende zienswijze is een machtiging overgelegd van [appellant sub 2] en anderen waaruit naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam blijkt dat deze betrekking heeft op het voeren van procedures over de onderhavige inrichting. Het college heeft verder geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om een schriftelijke machtiging te verlangen van [appellant sub 2] en anderen, noch heeft het naar aanleiding van de overgelegde machtiging om nadere gegevens verzocht om de kennelijk bij het college bestaande onduidelijkheid weg te nemen. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellant sub 2] en anderen bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding.

2.3.3. De bij de zienswijze overgelegde machtiging is niet mede ingediend namens [appellant sub 2 B], [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D]. Zij hebben evenmin zienswijzen naar voren gebracht over het ontwerpbesluit. Geen grond bestaat voor het oordeel dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Hieruit volgt dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 2 B], [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D], niet-ontvankelijk is.

Ontvankelijkheid beroepsgronden [appellant sub 1]

2.4. Het college betoogt dat de beroepsgrond inhoudende dat ten onrechte geen oprichtingsvergunning is verleend, de beroepsgrond inzake de strijdigheid van het bestreden besluit met het geldende bestemmingsplan en de beroepsgronden inzake stankoverlast en stofoverlast niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat op deze punten geen zienswijze is ingediend.

2.4.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

Nu de beroepsgronden inzake de vraag of een oprichtingsvergunning had moeten worden verleend en inzake de strijdigheid met het bestemmingsplan geen betrekking hebben op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 er niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd. Er bestaat dan ook geen grond om het beroep op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.

[appellant sub 1] heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat geuroverlast zal worden ondervonden vanwege de inrichting. De beroepsgrond over vanwege de inrichting te duchten stankoverlast heeft hier eveneens betrekking op. Er bestaat dan ook geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van stofoverlast heeft [appellant sub 1] geen zienswijze naar voren gebracht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op stofhinder niet-ontvankelijk is.

Eén inrichting

2.5. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat de onderhavige inrichting één inrichting vormt met de inrichting aan de [locatie 2], overweegt de Afdeling dat de aanvraag om vergunning uitsluitend betrekking heeft op de inrichting aan de [locatie 1]. Niet is gebleken dat de inrichting technische, organisatorische en/of functionele bindingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft met de inrichting aan de [locatie 2]. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de onderhavige inrichting niet één inrichting vormt met de inrichting aan de [locatie 2].

De beroepsgrond faalt.

Aard van de inrichting

2.6. [appellant sub 2] en anderen alsmede [appellant sub 1] betogen dat het college voor de inrichting een oprichtingsvergunning in plaats van een revisievergunning had moeten verlenen omdat de aanvraag ziet op een wezenlijk andere inrichting. In dit verband stellen zij dat bij besluit van 2 december 2003 vergunning is verleend voor een varkenshouderij op [locatie 2 en 3], en het nu gaat om een inrichting aan de [locatie 1], waarbij het zwaartepunt van de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten is verschoven naar de opslag van mest en mestdistributie.

2.6.1. De Afdeling overweegt allereerst dat artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, noch de systematiek van de Wet milieubeheer ertoe strekt dat voor activiteiten van geheel andere aard dan die waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft geen revisievergunning kan worden verleend. Het verlenen van een revisievergunning is mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van een onderliggende vergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet de aanvraag in een dergelijk geval beoordelen als betrof deze een oprichtingssituatie.

Bij besluit van 2 december 2003, alsmede bij het bestreden besluit is onder meer het houden van vleesvarkens en de opslag van mest vergund. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een wijziging van de inrichting, bestaande uit het ombouwen van voormalige stallen naar een machinestalling met werkplaats en de aanleg van een weegbrug. De Afdeling acht deze wijzigingen niet zodanig van aard dat kan worden gesproken van een inrichting van geheel andere aard dan de inrichting waarop de onderliggende vergunning van 2 december 2003 betrekking heeft. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] en anderen alsmede [appellant sub 1] dat in tegenstelling tot voorheen de mestopslag en mestdistributie de kern van de activiteiten binnen de inrichting vormt, overweegt de Afdeling dat uit de vergunning van 2 december 2003 en de daarbij behorende tekening kan worden opgemaakt dat reeds mest werd opgeslagen. Dat het aantal gehouden dieren verhoudingsgewijs afneemt, doet daaraan niet af.

Gelet op het vorenstaande kan in het onderhavige geval niet worden gesproken van een inrichting van geheel andere aard dan de bij besluit van 2 december 2003 vergunde inrichting. Er is dan ook geen sprake van een oprichtingssituatie. De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beste beschikbare technieken

2.8. [appellant sub 1] voert aan dat het traditionele huisvestingssysteem voor vleesvarkens ten onrechte niet voldoet aan het vereiste dat in de inrichting de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Volgens hem is in dit verband van belang dat de stal in maart 2005 is afgebrand, waarna geen varkens meer in de stal zijn gehouden.

2.8.1. Het college stelt dat het bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) tot uitgangspunt heeft genomen en verder rekening heeft gehouden met de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij. Het college gaat er hierbij van uit dat sprake is van een bestaande stal aangezien de inrichting voor de brand geheel was voltooid en in werking was gebracht en de onderliggende milieuvergunning niet is ingetrokken nadat de stal was afgebrand.

2.8.2. Het Besluit huisvesting is een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Nu overgangsrecht ontbreekt, is het Besluit huisvesting van toepassing op elk besluit dat na 1 april 2008 wordt genomen.

In het Besluit huisvesting zijn in het belang van de bescherming van het milieu algemeen geldende regels gesteld over de toegestane ammoniakemissie van stallen. Dit brengt mee dat bij vergunningverlening een individuele toets aan het uit artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer voortvloeiende vereiste dat de toegestane ammoniakemissie moet overeenkomen met toepassing van de beste beschikbare technieken, niet meer plaatsvindt in zoverre het gaat om het gebruik van huisvestingssystemen waarvoor in bijlage 1 bij Besluit huisvesting maximale emissiewaarden zijn gesteld. Die beoordeling ligt gezien het bepaalde in artikel 8.40, derde lid, van de Wet milieubeheer dan reeds besloten in het Besluit huisvesting.

Wanneer aan de in het Besluit huisvesting gestelde regels wordt voldaan, moet het huisvestingssysteem worden geacht te behoren tot de bij het opstellen van het Besluit huisvesting als beste beschikbare techniek geïdentificeerde huisvestingssystemen.

2.8.3. Ten aanzien van het huisvestingssysteem voor de vergunde vleesvarkens overweegt de Afdeling als volgt.

Uit artikel 4, eerste lid, van het Besluit huisvesting, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel en bijlage 2 bij het Besluit huisvesting, volgt, voor zover hier van belang, dat bestaande huisvestingssystemen tot 1 januari 2010 niet aan de in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting opgenomen maximale emissiewaarden behoeven te voldoen, tenzij in bijlage 2 anders is aangegeven. Tot 1 januari 2010 worden deze huisvestingssystemen aangemerkt als de in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit huisvesting, volgt, voor zover hier van belang, dat voor de toepassing van het Besluit huisvesting onder een bestaand huisvestingssysteem wordt verstaan: een huisvestingssysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit huisvesting nog niet in de veehouderij aanwezig was, maar waarvoor op dat tijdstip wel een vergunning (verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer) of, indien geen vergunning was vereist, een bouwvergunning was verleend.

2.8.4. Vaststaat dat de vleesvarkensstal waarvoor bij besluit van 2 december 2003 vergunning is verleend, is gerealiseerd. Deze stal is in maart 2005 volledig afgebrand en nadien niet meer volledig herbouwd. Nu de bij besluit van 2 december 2003 verleende vergunning niet is ingetrokken en evenmin van rechtswege is vervallen, gold deze vergunning nog op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit huisvesting, namelijk 1 april 2008. Nu de vleesvarkensstal voldoet aan het in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit huisvesting gestelde vereiste kan worden gesproken van een bestaand huisvestingssysteem.

De vleesvarkensstal voldoet niet aan de maximale emissiewaarden van bijlage 1 bij het Besluit huisvesting. Nu evenwel sprake is van een bestaand huisvestingssysteem als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit huisvesting heeft het college zich gelet op deze bepaling, gelezen in samenhang met bijlage 2 bij het Besluit huisvesting, terecht op het standpunt gesteld dat het huisvestingssysteem ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet behoefde te voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting. Nu aan het Besluit huisvesting wordt voldaan, wordt tevens voldaan aan het vereiste dat met het huisvestingssysteem in de inrichting de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.9. [appellant sub 2] en anderen alsmede [appellant sub 1] voeren aan dat het college ten onrechte de vergunning niet heeft geweigerd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan. In dit verband betogen zij dat het geldende bestemmingsplan de exploitatie van een mestdistributiebedrijf niet toestaat omdat dit geen agrarisch bedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan betreft, namelijk een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

2.9.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij Wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 297) met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.9.2. Het college heeft op grond van bovengenoemd artikel beoordeeld of door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met het geldende bestemmingsplan. Hierbij is het college ervan uitgegaan dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan omdat de inrichting wel een agrarisch bedrijf betreft waar dieren worden gehouden. Voorts stelt het college dat het medewerking verleent aan het namens [vergunninghoudster] ingediende verzoek tot vergroting van het bouwblok. Indien er al sprake was van het bestemmingsplan, dan zal deze strijd worden opgeheven, aldus het college. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer behoefde te worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

Mestbassin

2.10. [appellant sub 1] voert aan - zo begrijpt de Afdeling de beroepsgrond - dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte het risico op bodemverontreiniging vanwege het op de bij de aanvraag behorende tekening (hierna: de tekening) met een 2 aangegeven mestbassin (hierna: mestbassin 2) niet heeft onderzocht. Volgens [appellant sub 1] is mestbassin 2 oorspronkelijk bestemd voor vaste mestopslag en gelet op de constructie van het mestbassin bestaande uit losse compartimenten, ongeschikt voor de volgens de aanvraag beoogde opslag van vloeibare mest.

2.10.1. Uit het rapport van RMB van 16 september 2008 waarbij de inspectie van de in de inrichting aanwezige mestbassins uitgevoerd door Derco B.V. op 22 juni 2006 is beoordeeld (hierna: het beoordelingsrapport) kan worden opgemaakt dat mestbassin 2, anders dan [appellant sub 1] stelt, een betonnen constructie heeft en nog voldoet aan de bouwtechnische richtlijnen. Voorts geldt volgens het beoordelingsrapport deze referentiekeuring voor een periode van 10 jaar tot 22 juni 2016. Met deze referentiekeuring is blijkens het beoordelingsrapport aangegeven dat mestbassin 2 voldoende sterk en mestdicht is hetgeen tevens betekent dat het in voldoende mate geschikt wordt geacht voor de opslag van drijfmest. Hetgeen [appellant sub 1] zonder verdere motivering stelt ten aanzien van mestbassin 2 als oorspronkelijk bestemd voor opslag van vaste mest, doet hier niet aan af. [appellant sub 1] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de resultaten beschreven in het beoordelingsrapport onjuist zijn. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten bodemverontreiniging niet van het beoordelingsrapport heeft kunnen uitgaan.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 1] voert aan dat wat betreft de indicatie van de totale mestopslag een discrepantie bestaat tussen het aanvraagformulier dat uitgaat van een inhoud van 7.200 m3 en de bij de aanvraag behorende tekening die uitgaat van 6.200 m3. Volgens [appellant sub 1] - zo begrijpt de Afdeling de beroepsgrond - heeft het college vanwege de discrepantie bij het bestreden besluit dus geen goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu heeft kunnen maken.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het aanvraagformulier en de renvooilijst enerzijds en de tekening anderzijds tegenstrijdig zijn wat betreft de totale mestopslag. Uit een naberekening is gebleken dat de in de inrichting aanwezige mestbassins een totale inhoud van 6.200 m3 hebben zoals op de tekening is vermeld, aldus het college. Het college stelt dat hieruit volgt dat sprake is van feitelijk minder mestopslag dan aangevraagd in de inrichting hetgeen positieve gevolgen voor de omgeving heeft.

2.11.2. Niet in geschil is dat op het aanvraagformulier een totale mestopslag van 7.200 m3 staat vermeld en dat dit afwijkt van de capaciteit zoals aangegeven op de tekening. De Afdeling stelt vast dat - anders dan [appellant sub 1] stelt - de totale mestopslag blijkens de bij de aanvraag behorende tekening 6.200 m3 is. Niet is aangevoerd dat de op de tekening vermelde totale mestopslag onjuist is. Ook anderszins bestaat geen grond om het standpunt van het college dat uit berekeningen volgt dat in overeenstemming met de tekening de feitelijke capaciteit 6.200 m3 is, te betwijfelen. Nu de capaciteit van de mestopslag hiermee voldoende duidelijk is komen vast te staan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet tot een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting heeft kunnen komen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kleinere mestopslagcapaciteit dan de blijkens het aanvraagformulier aangevraagde mestopslag, geen negatieve gevolgen voor het milieu heeft. De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] voert aan - zo begrijpt de Afdeling de beroepsgrond - dat het college onvoldoende voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter voorkoming dan wel ter beperking van stankhinder vanwege het in de inrichting aanwezige open mestbassin.

2.12.1. Aan de vergunning zijn in hoofdstuk 8 onder 8.2 (behandeling en bewaring van drijfmest) voorschriften verbonden die onder meer zijn gericht op het voorkomen, dan wel beperken van stankhinder. Ingevolge voorschrift 8.2.2, voor zover hier van belang, dient het open mestbassin 2 mestdicht en afgedekt te zijn volgens de Richtlijnen Mestbassins 1992. Voorts bepaalt voorschrift 8.2.4 dat de afvoerpunten van de opslagruimte door middel van goed sluitende deksels gesloten moeten worden gehouden, behoudens tijdens het ledigen ervan.

In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om stankhinder vanwege het mestbassin te voorkomen dan wel te beperken. De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 1]

2.13. Voor zover [appellant sub 1] de vraag opwerpt of in de bij het bestreden besluit vergunde stal 1 daadwerkelijk vleesvarkens zullen worden gehouden dan wel dat deze stal als ruimte voor machineberging zal worden gebruikt, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Nu uit de aanvraag blijkt dat vleesvarkens zullen worden gehouden in stal 1, mocht het college bij het nemen van het bestreden besluit hiervan uitgaan. Voor zover [appellant sub 1] beoogt aan te voeren dat de vergunning op dit punt niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

Overige beroepsgronden van [appellant sub 2] en anderen

2.14. Voor het overige hebben [appellant sub 2] en anderen zich in beroepschrift beperkt tot het herhalen van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijze dan wel een nagenoeg letterlijke herhaling hiervan. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant sub 2] en anderen hebben in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. De beroepsgronden falen.

2.15. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op stofoverlast;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant sub 2 B], [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D];

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

407-596.