Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200901253/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, eerste en vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) vastgesteld voor het aannemersbedrijf van [appellante] , gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.20
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/1782
JOM 2010/487
JOM 2010/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901253/1/M1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, eerste en vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) vastgesteld voor het aannemersbedrijf van [appellante] , gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en ing. P. Zonneveld en B.B. van de Water, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellante] de beroepsgrond die betrekking had op de wijze van bekendmaking van het besluit van 18 februari 2008 ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) vaststellen.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan de geldende geluidsnormen te voldoen.

2.3. Door de in het bestreden besluit op bezwaar in stand gelaten maatwerkvoorschriften is het maximaal geluidniveau als gevolg van laden en lossen tussen 6 uur en 7 uur in de ochtend ten opzichte van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit verhoogd tot 65 dB(A) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.

Voorts is voorgeschreven dat een heftruck waarmee binnen de inrichting gewerkt wordt alleen een elektrische heftruck met een bronvermogen van ten hoogste 90 dB(A) mag zijn. De kosten die redelijkerwijs voor de aanschaf van een elektrische heftruck moeten worden gemaakt zullen worden vergoed.

2.4. [appellante] kan zich met beide maatwerkvoorschriften niet verenigen. Zij betoogt dat de geluidgrenswaarden op de bestaande woningen niet worden overschreden. [appellante] voert in dit verband aan dat de akoestische rapporten van Syncera De Straat van 29 april 2005 en 8 december 2005, waar het college bij het stellen van de maatwerkvoorschriften van uitgegaan is, onjuistheden en tegenstrijdigheden bevatten. Onder meer stelt zij dat uit de rapporten van Syncera De Straat niet blijkt welke maximale geluidniveaus gemeten zijn. Daarom kan zij niet nagaan hoe hoog de gestelde overschrijdingen zijn. [appellante] onderbouwt haar betoog met een in haar opdracht opgesteld akoestisch rapport door Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) van 21 september 2009. Verhoging van de grenswaarde voor het maximaal geluidniveau is volgens [appellante] in de huidige situatie niet nodig, omdat van overschrijding van de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit geen sprake is. Volgens [appellante] is het enige doel van de maatwerkvoorschriften het mogelijk maken van de bouw van de in het bestemmingsplan Spoorzone voorziene nieuwe woningen op een afstand van ongeveer 27 meter van haar inrichting. Zij vreest dat zij door die woningbouw ernstig in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd. [appellante] betoogt dat zij door de vervanging van de thans gebruikte dieselheftruck door een elektrische heftruck in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt omdat een elektrische heftruck minder capaciteit heeft dan een dieselheftruck. Bovendien zullen volgens haar door de inzet van een elektrische heftruck de piekgeluiden tengevolge van het laden en lossen niet worden verminderd, en zal door de minder krachtige elektrische heftruck de bedrijfstijd toenemen met meer pieken in het geluidniveau tot gevolg. Zij wijst ook in dit verband op het akoestisch rapport van Oranjewoud.

[appellante] betoogt voorts dat de bouw van nieuwe woningen onzeker is. [appellante] wijst er in dit verband op dat de goedkeuring van het bestemmingsplan Spoorzone, dat de woningbouw mogelijk moest maken, door een uitspraak van de Afdeling van 23 april 2008, in zaak nr. 200608741/1 vernietigd is. Ze wijst er voorts op dat haar bedrijf in de VNG categorie 3.2 valt, hetgeen inhoudt dat er bij voorkeur een afstand van 100 meter tot geluidgevoelige bestemmingen moet worden gehouden. Volgens het eigen beleid van de gemeente Delft (de Nota bedrijven en bestemmingen) is die afstand kleiner, maar ook altijd nog 50 meter.

Voorts betoogt [appellante] dat een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit, waarbij wordt voorgeschreven welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen, alleen kan worden gesteld teneinde aan de geldende geluidsnormen te voldoen. Volgens [appellante] dient onder geldende geluidnormen te worden verstaan: de standaard geluidnormen in het Activiteitenbesluit. Een dergelijk maatwerkvoorschrift kan volgens [appellante] niet worden opgelegd met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Het maatwerkvoorschrift tot het gebruiken van een elektrische heftruck mocht daarom volgens haar niet worden opgelegd.

2.4.1. Volgens het college zijn beide maatwerkvoorschriften nodig om overschrijding van de geluidgrenswaarden op de gevels van bestaande woningen te beëindigen. Voorts zijn de beide voorschriften volgens het college nodig om de realisatie van woningbouw nabij de inrichting mogelijk te maken. Met betrekking tot de heftruck betoogt het college dat om in de bestaande situatie aan de geluidgrenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld geluidniveau als het maximaal geluidniveau te voldoen het bronvermogen van de heftruck met 6 dB(A) moet worden teruggebracht. Teneinde ook na realisatie van de geplande woningen te voldoen aan de geluidgrenswaarden is een elektrische heftruck voorgeschreven met een bronvermogen dat 10 dB(A) lager ligt dan het bronvermogen van de thans gebruikte dieselheftruck. Volgens het college is het bevoegd om bij het opleggen van maatwerkvoorschriften rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen. Het college wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2005, in de zaak met nr. 200410076/1. Het college betoogt dat het bestemmingsplan Spoorzone dat de woningbouw mogelijk moet maken inmiddels is goedgekeurd.

Het college heeft ter zitting betoogd dat het rapport van Oranjewoud in een te laat stadium is aangeleverd om er rekening mee te kunnen houden, hetgeen volgens het college in strijd is met de goede procesorde. Het college heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat de maximale geluidniveaus weliswaar niet zijn gemeten of berekend, maar dat zij zijn bepaald door optelling van 10 dB(A) bij het berekende langtijdgemiddelde geluidniveau, hetgeen volgens het college een gebruikelijke methode is. Het college betoogt dat ook Oranjewoud de maximale geluidniveaus heeft bepaald door een optelling van, in dat akoestisch rapport, 4 dB(A) bij het langtijdgemiddelde geluidniveau.

2.4.2. De Afdeling constateert dat het rapport van Oranjewoud ruim twee maanden voor de zitting is verstuurd. Naar het oordeel van de Afdeling is er voldoende tijd geweest om het rapport te bestuderen en op het rapport te reageren. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding om het rapport niet bij de behandeling van het beroep te betrekken. De Afdeling overweegt dat het college de maatwerkvoorschriften nodig acht, onder meer om in de huidige situatie, waarin de voorgenomen woningbouw nog niet is gerealiseerd, aan de grenswaarden voor het maximaal geluidniveau te kunnen voldoen. Het lag op de weg van het college om te onderzoeken of daadwerkelijk overschrijding van deze grenswaarden plaatsvindt. Op grond van hetgeen [appellante], onder meer door het rapport van Oranjewoud, naar voren heeft gebracht en het verhandelde ter zitting concludeert de Afdeling dat het college de maximale geluidniveaus vanwege de inrichting van [appellante] niet nauwkeurig heeft gemeten of berekend. Gelet daarop acht de Afdeling overschrijding van de grenswaarden voor het maximaal geluidniveau in de huidige situatie niet aangetoond. Het in het bestreden besluit op bezwaar in stand gelaten besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften berust gelet daarop niet op deugdelijk onderzoek, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

2.4.3. De Afdeling overweegt voorts dat, gelet op de stukken, onder meer het rapport van Oranjewoud, en het verhandelde ter zitting, onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voorschrift dat alleen van een elektrische heftruck gebruik mag worden gemaakt de bedrijfsvoering van [appellante] niet nadelig beïnvloedt. Zo is ter zitting onder meer gesteld dat door de geringere capaciteit en het uitgeput raken van de accu de heftruck langer in bedrijf zal moeten zijn dan een dieselheftruck. Als gevolg daarvan is tevens onzeker of de beoogde vermindering van het geluidniveau door deze maatregel wordt bereikt. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar het effect van dit maatwerkvoorschrift op de bedrijfsvoering. Ook in zoverre berust het besluit niet op deugdelijk onderzoek. De beroepsgrond slaagt.

2.4.4. De Afdeling overweegt voorts dat niet in geschil is dat na realisatie van de voorgenomen woningbouw overschrijding van geluidgrenswaarden plaatsvindt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 december 2009, in zaak nr. 200805334/1/M2) moet het vaststellen van maatwerkvoorschriften, ook ten aanzien van technische voorzieningen en gedragsregels als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit, met het oog op een nog te realiseren situatie op zich mogelijk worden geacht. De Afdeling stelt echter vast dat de verplichting tot het gebruik van een elektrische heftruck met een bronvermogen van maximaal 90 dB(A) onmiddellijk geldt en niet pas vanaf het moment van realisatie van de geplande woningen. De geplande woningen kunnen gelet daarop geen rechtvaardiging vormen voor het opleggen van dit maatwerkvoorschrift. Gelet op het vorenstaande berust het besluit tot het opleggen en het in het bestreden besluit op bezwaar in stand laten van dit maatwerkvoorschrift niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit op bezwaar dient te worden vernietigd. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit op bezwaar van 30 december 2008 met kenmerk 913523;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

539.