Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200909215/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) een verzoek van [verzoekster] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de inrichting voor textielproductie van [vergunninghoudster] gelegen aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909215/1/M1.

Datum uitspraak: 21 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te Tilburg, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster],

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) een verzoek van [verzoekster] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de inrichting voor textielproductie van [vergunninghoudster] gelegen aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's Hertogenbosch, en S. Oekema, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Verhees en ing. J.A.M. van Dorst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door R. Dröge, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [verzoekster] betoogt dat haar verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen ten onrechte is afgewezen. Volgens [verzoekster] ondervinden haar medewerkers hinder in de vorm van medische klachten ten gevolge van damp die wordt uitgestoten door [vergunninghoudster]. Uit onderzoek blijkt volgens [verzoekster] dat [vergunninghoudster] een hoeveelheid koolwaterstoffen emitteert waarmee de grenswaarde uit de Nederlandse emissierichtlijn lucht wordt overschreden.

Met het uitstoten van koolwaterstoffen naar de lucht handelt [vergunninghoudster] volgens [verzoekster] in strijd met de vergunning voor zover daarin is bepaald dat naar de lucht alleen verbrandingsgassen en waterdamp worden geëmitteerd.

Bovendien handelt [vergunninghoudster] volgens [verzoekster] in strijd met de vergunning voor zover bij haar productieproces andere stoffen worden geëmitteerd, waaronder, gezien de aard van de medische klachten, vermoedelijk waterstofperoxide.

Ten slotte handelt [vergunninghoudster] volgens [verzoekster] in strijd met het aan de vergunning verbonden voorschrift 9.1.1 waarin is bepaald dat uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van dampen is gewaarborgd zonder dat buiten de inrichting hinder wordt veroorzaakt.

2.1.1. Het college stelt dat het niet bevoegd is handhavend op te treden, nu door [vergunninghoudster] geen overtreding is begaan. De productieprocessen van [vergunninghoudster] zijn vergund en daarmee ook de uitstoot van de daarbij vrijkomende stoffen, aldus het college. Niet is geconstateerd dat door de uitstoot van dampen dusdanige overlast wordt veroorzaakt dat gesproken kan worden van hinder als bedoeld in voorschrift 9.1.1 van de vergunning en evenmin is het causaal verband tussen de dampen en de klachten aangetoond, aldus het college.

2.1.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet komen vast te staan dat [vergunninghoudster] in strijd met haar vergunning of enige wettelijke bepaling heeft gehandeld. Aldus moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

2.1.3. Voor zover daarover twijfel zou kunnen bestaan is van belang de vraag in hoeverre onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Daarbij neemt de voorzitter de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

2.1.4. Door [verzoekster] wordt gesteld dat haar medewerkers al jaren overlast ondervinden van de uitstoot van dampen door [vergunninghoudster]. Niet is gebleken dat deze situatie nu spoedeisend is geworden.

Ter zitting is gebleken dat na overleg tussen het college en [vergunninghoudster] tussentijdse maatregelen, in de vorm van uitvoering van de mogelijk meest overlast gevende handelingen in het productieproces buiten de openingsuren van [verzoekster] en verhoging van de schoorsteen, zijn getroffen om de beweerdelijke overlast te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

2.1.5. Voorts neemt de voorzitter in aanmerking dat een ontwerpbesluit strekkende tot opneming van een grenswaarde voor de emissie van koolwaterstoffen in de vergunning van [vergunninghoudster] ter inzage is gelegd en dat het college het advies- en ingenieursbureau Tebodin opdracht heeft gegeven het productieproces van [vergunninghoudster], inclusief de daarbij vrijkomende stoffen, nader te onderzoeken. Van de zijde van het college is ter zitting de verwachting uitgesproken dat in februari 2010 door Tebodin een rapportage wordt uitgebracht.

2.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010

159-579.