Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200909544/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nuplex Resins B.V. (hierna: Nuplex) een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater via de gemeentelijke riolering van Bergen op Zoom en de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909544/2/M1.

Datum uitspraak: 21 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nuplex Resins B.V., gevestigd te Bergen op Zoom,

verzoekster,

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nuplex Resins B.V. (hierna: Nuplex) een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater via de gemeentelijke riolering van Bergen op Zoom en de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath.

Tegen dit besluit heeft Nuplex bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, heeft Nuplex de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar Nuplex, vertegenwoordigd door A. Roorda en mr. G.J. Niezen, advocaat te Leusden, is verschenen. Het dagelijks bestuur is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Nuplex betoogt dat de in voorschrift 21.2 opgenomen verplichting om uiterlijk 18 maanden na het van kracht worden van de vergunning een plan van aanpak te overleggen naar de maatregelen die dienen te worden getroffen teneinde een emissieniveau voor N-totaal van 20 mg/l te bereiken onredelijk bezwarend is en niet nodig in het belang van de bescherming van het oppervlaktewater.

Nuplex voert aan dat het van toepassing zijnde BREF-document Reference Document in Common Waste Water and Waste Gas Treatment/Management Systems in the Chemical Sector (hierna: het BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling) hiertoe niet noopt, omdat de daarin opgenomen lozingseisen betrekking hebben op lozingen op het oppervlaktewater, terwijl het door Nuplex geloosde afvalwater alvorens te worden geloosd op het oppervlaktewater eerst wordt gezuiverd in de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath.

Daarnaast is betreffende verplichting aldus Nuplex in strijd met de door het dagelijks bestuur vastgestelde beleidsregel Doelmatigheidseisen volgens welke in een geval als dit, waarbij de door Nuplex geloosde hoeveelheid stikstof minder dan 10% van het influent van de zuiveringsinstallatie bedraagt, in de vergunning geen eisen ter bescherming van de doelmatige werking van deze installatie worden opgenomen.

Ter zitting stelt Nuplex dat, afgezien van exploitatiekosten, de investering gepaard gaande met het terugbrengen van de concentratie N-totaal in het effluent van de inrichting tot bovengenoemde waarde wordt geraamd op een miljoen euro.

2.2.1. De door het dagelijks bestuur op 15 mei 2007 vastgestelde beleidsregel Doelmatigheidseisen heeft betrekking op de bevoegdheid om in een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aanvullende voorschriften op te nemen ter bescherming van de doelmatige werking van zuiveringsinstallaties en de bijbehorende gemalen en persleidingen. Volgens deze beleidsregel, voor zover hier van belang, worden eisen ter bescherming van een doelmatige werking van zuiveringstechnische werken alleen in vergunningen opgenomen indien een bijdrage van 10% van de jaargemiddelde lozing van N ten opzichte van het influent van de ontvangende zuiveringsinstallatie wordt overschreden.

Gelet op overweging 18.1 van de considerans van het bestreden besluit komt het de voorzitter voorshands voor dat de emissiegrenswaarde voor N-totaal van 20 mg/l niet in verband staat met de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringstechnische werken. Aldus lijkt van strijd met de beleidsregel Doematigheidseisen geen sprake te zijn.

2.2.2. Volgens de samenvatting van het door het dagelijks bestuur van toepassing geachte BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling bedraagt het op de beste beschikbare technieken gebaseerde emissieniveau bij lozing in water van totaal anorganisch N 5-25 mg/l. Daarbij wordt opgemerkt dat een meer aan te bevelen parameter totaal N zou zijn, maar dat wegens gebrek aan informatie totaal anorganisch N wordt gebruikt.

Niet duidelijk is hoe het dagelijks bestuur is gekomen tot een op termijn te bereiken emissieniveau voor N-totaal van 20 mg/l. Dit klemt temeer nu het emissieniveau van totaal anorganisch N in het BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling betrekking lijkt te hebben op de lozing op het ontvangende oppervlaktewater en niet op de lozing op een rioolwaterzuiveringsinstallatie zoals in het onderhavige geval. Dit verdient nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent. Het moet niet uitgesloten worden geacht dat de Afdeling tot de conclusie moet komen dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.

2.3. Gelet op het vorengaande en nu ter zitting onweersproken door Nuplex is gesteld dat het opstellen van een plan van aanpak inclusief de daarvoor benodigde voorbereidende werkzaamheden een jaar vergt, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta van 23 oktober 2009, kenmerk 09U007315, voor zover het betreft de in voorschrift 21.2 opgenomen verplichting om uiterlijk 18 maanden na het van kracht worden van de vergunning een plan van aanpak te overleggen naar de maatregelen die dienen te worden getroffen gericht op een emissiegrenswaarde voor N-totaal van 20 mg/l;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta tot vergoeding van bij Nuplex Resins B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta aan Nuplex Resins B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010

159-579.