Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0704

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200909838/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2009, voor zover van thans belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARU Depots B.V. (hierna: CARU) lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de artikelen 4.32 en 4.39 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909838/2/M2.

Datum uitspraak: 21 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARU Depots B.V., gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2009, voor zover van thans belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARU Depots B.V. (hierna: CARU) lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de artikelen 4.32 en 4.39 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Bij besluit van 17 november 2009, voor zover thans van belang, heeft het college het door CARU hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft CARU bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, heeft CARU de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2010, waar CARU, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en vergezeld door haar [directeur], en het college, vertegenwoordigd door I.M. Verwijnen, mr. K.A. Eshuis en G.P van der Spelt, ambtenaren werkzaam bij gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 4 november 1996 is aan de voorganger van CARU een revisievergunning krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het op- en overslaan, repareren, renoveren en schoonmaken van containers. Op 27 april 2009 heeft CARU op grond van artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit een melding gedaan.

2.2.1. Het college heeft aan zijn besluit tot het opleggen van de lasten onder dwangsom ten grondslag gelegd dat de artikelen 4.32 en 4.39 van het Activiteitenbesluit worden overtreden, doordat in de buitenlucht spaanloze, verspanende, en thermische bewerkingen van metalen worden uitgevoerd, alsmede doordat in de buitenlucht laswerkzaamheden plaatsvinden.

Partijen houdt verdeeld de vraag of het college het bevoegd gezag was om het bestreden besluit te nemen.

2.2.2. Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, voor zover thans van belang, van de Wet milieubeheer heeft het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft, gelden op grond van de betrokken wetten.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd zijn om te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 12, onderdeel 12.2, onder f, van bijlage I bij het Ivb betreft inrichtingen voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m2 of meer bedraagt.

2.2.3. De voorzitter overweegt dat het antwoord op de rechtsvraag die de partijen in dit geschil verdeeld houdt, gelet op het voorafgaande, afhankelijk is van het productieoppervlak van de inrichting. Indien het productieoppervlak voor het renoveren of schoonmaken van containers minder dan 2.000 m2 bedraagt, is het college het bevoegd gezag. Indien het voormelde productieoppervlak 2.000 m2 of meer bedraagt, is het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het bevoegd gezag.

2.2.4. Het college brengt naar voren dat het op 4 juni 2009 een controlebezoek, waarvan verslag is gedaan, in de inrichting heeft laten uitvoeren. Uit deze controle is volgens het college gebleken dat het totale productieoppervlak van de inrichting, met inachtneming van de buitenwerkplaatsen, minder dan 2.000 m2 bedraagt. Hiertoe stelt het college zich op het standpunt dat het productieoppervlak van de op het terrein van de inrichting aanwezige loods slechts 1.400 m2 bedraagt, omdat een gedeelte van de loods uit opslagruimte bestaat en dit niet als productieoppervlak kan worden aangemerkt. Verder kunnen de twee op het buitenterrein van de inrichting aanwezige wasplaatsen, die ieder een oppervlakte hebben van onderscheidenlijk 300 m2 en 225 m2, volgens het college niet als productieoppervlak worden aangemerkt, omdat deze wasplaatsen slechts in beperkte mate worden gebruikt voor het reinigen van containers.

2.2.5. CARU voert aan dat het productieoppervlak van de inrichting meer dan 2.000 m2 bedraagt, te weten 2.875 m2. Hiertoe voert zij aan dat het productieoppervlak van de loods 1.600 m2 bedraagt, omdat het gedeelte van de loods dat volgens het college als opslagruimte wordt gebruikt, ook als productieoppervlak moet worden aangemerkt. In deze ruimte is werkmateriaal aanwezig dat wordt ingezet voor het productieproces, zodat de opslag daarvan geen permanent karakter heeft, aldus CARU. Ook voert CARU aan dat het college bij het vaststellen van het productieoppervlak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gedeelte van het buitenterrein van de inrichting dat wordt gebruikt voor de verspanende activiteiten en laswerkzaamheden, en waarvan de oppervlakte 750 m2 bedraagt. Verder voert CARU aan dat de twee wasplaatsen, gelet op de formulering van categorie 12, onderdeel 12.2, onder f, van bijlage I bij het Ivb, ook als productieoppervlak dienen te worden aangemerkt. Daarbij wijst zij erop dat deze werkplaatsen acht uur per dag worden gebruikt voor het schoonmaken van containers en daarmee integraal onderdeel uitmaken van het productieproces. Ten slotte is ook reeds bij de aanvraag van de milieuvergunning van 4 november 1996 uitgegaan van een productieoppervlak van 2.000 m2 of meer, aldus CARU.

2.2.6. Uit het controleverslag van het college van 4 juni 2009, in samenhang bezien met de daarbij behorende situatietekening, kan naar het oordeel van de voorzitter niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat het productieoppervlak van de inrichting minder dan 2.000 m2 bedraagt. Gelet hierop, alsmede gezien de aanvraag van de milieuvergunning van 4 november 1996, komt de voorzitter het door CARU ingenomen standpunt dat het productieoppervlak van de inrichting meer dan 2.000 m2 bedraagt, niet onjuist voor. Daarbij betrekt de voorzitter eveneens dat het college ter zitting het door CARU ingenomen standpunt niet heeft weerlegd. Het college heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het productieoppervlak van de inrichting voor het renoveren en schoonmaken van de containers minder dan 2.000 m2 bedraagt. Gelet hierop bestaat gerede twijfel over de bevoegdheid van het college om het bestreden besluit te nemen. De voorzitter ziet daarom bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de volgende voorlopige voorziening te treffen.

2.2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk van 17 november 2009, kenmerk T10589ZW1BR1/206768, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk van 23 maart 2009, kenmerk T10589163524, voor zover beide besluiten zien op de lasten onder dwangsom die zijn opgelegd vanwege het overtreden van de artikelen 4.32 en 4.39 van het Activiteitenbesluit;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARU Depots B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARU Depots B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010

375-584.