Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200910038/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) het projectbesluit "Ophoging en voorbelasting De Winkelbuurt" (hierna: het projectbesluit) genomen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 1.1
Wet ruimtelijke ordening 3.10
Wet ruimtelijke ordening 8.4
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/658
BR 2010/68 met annotatie van W.J. Bosma
NJB 2010, 243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910038/2/H1.

Datum uitspraak: 21 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de Vereniging Bescherming Woonklimaat Abcoude Zuid,

[verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], gevestigd, onderscheidenlijk wondend, te Abcoude,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 11 november 2009 in zaak nrs. 09/2393 en 09/2394 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Abcoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) het projectbesluit "Ophoging en voorbelasting De Winkelbuurt" (hierna: het projectbesluit) genomen.

Bij uitspraak van 11 november 2009, verzonden op 12 november 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door de Vereniging Bescherming Woonklimaat Abcoude Zuid, [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] (hierna: de Vereniging en anderen) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben De Vereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, hebben de Vereniging en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 januari 2010, waar de Vereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Zwalve-Erades, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid, bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge het vierde lid, kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.4, tweede lid, voor zover thans van belang, wordt, indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

2.3. Ingevolge artikel 5.1.3, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) bevat een projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het projectbesluit gemaakte keuze van bestemmingen;

b. een beschrijving van de wijze waarop in het projectbesluit rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

c. de uitkomsten van het in artikel 5.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het projectbesluit zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het projectbesluit.

2.4. De voorzitter stelt vast dat, gelet op de tekst van artikel 8.4, tweede lid, van de Wro, waarin wordt gesproken over de bevoegde rechter en de beroepstermijn niet is beperkt tot die van beroep in eerste aanleg, de werking van het projectbesluit is opgeschort totdat op het verzoek van de Vereniging en anderen is beslist, nu dit verzoek gedurende de (hoger)beroepstermijn is gedaan.

2.5. Het projectbesluit ziet op het aanleggen van een tijdelijke watergang en het ophogen en voorbelasten met zand tot een maximale hoogte van +2,90 m NAP van omstreeks 15 hectare grond gelegen tussen de Burgemeester Dedelstraat en de Winkeldijk te Abcoude (hierna: het projectgebied). Het projectbesluit betreft de voorbereidende werkzaamheden voor het realiseren van omstreeks 200 woningen.

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad der gemeente Abcoude (hierna: de gemeenteraad) het bestemmingsplan "De Winkelbuurt" vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van een woonwijk in het projectgebied. Bij brief van 30 december 2009 hebben de Vereniging en anderen tegen het besluit van 15 oktober 2009 beroep bij de Afdeling ingesteld. Voorts hebben zij de voorzitter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening hangende het aldus ingestelde beroep het besluit van 15 oktober 2009 te schorsen.

2.6. Het voorliggende verzoek van de Vereniging en anderen strekt tot schorsing van het projectbesluit. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat het college te kennen heeft gegeven op zeer korte termijn met de werkzaamheden aan te vangen en voorkomen dient te worden dat onevenredige en onherstelbare gevolgen zullen intreden, hangende de behandeling van het door de Vereniging en anderen ingestelde hoger beroep.

2.7. Het betoog van de Vereniging en anderen dat het projectbesluit in strijd met de Vogel- en Habitatrichtlijn is genomen, dat het projectgebied deel uitmaakt van de Stelling van Amsterdam, die door UNESCO op de werelderfgoedlijst is geplaatst en dat in het projectgebied als "behoudenswaardig" gekwalificeerde archeologische resten aanwezig zijn, is voor het eerst uitdrukkelijk in hoger beroep aangevoerd. De Vereniging en anderen betogen dat zij in het beroepschrift van 26 augustus 2009 hebben verzocht de door hen tegen het in ontwerp vastgestelde bestemmingsplan "De Winkelbuurt" ingediende zienswijze als herhaald in ingelast te beschouwen. De voorzitter betwijfelt echter of met deze enkele zin hetgeen in de zienswijze is vermeld dient te worden aangemerkt als - ook voor de voorzieningenrechter en de andere partijen als zodanig herkenbare - gronden van het beroep in de voorliggende procedure tegen het projectbesluit.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, moet er rekening mee worden gehouden dat de Afdeling in de bodemprocedure oordeelt dat dit betoog buiten beschouwing dient te blijven. Gelet op hetgeen namens het college is aangevoerd, ziet de voorzitter overigens geen grond voor het oordeel dat in het betoog een belemmering is gelegen voor de uitvoering van het projectbesluit gericht op het bouwrijp maken van gronden voor woningbouw.

2.8. De Vereniging en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat niet op voorhand buiten twijfel is dat woningbouw niet op enigerlei vorm in het projectgebied kan worden verwezenlijkt, heeft miskend dat het projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voeren zij aan dat de beoogde woningbouw in strijd is met het in de Nota Ruimte vervatte rijksbeleid voor Nationale Landschappen en met het provinciale beleid inzake de rode contour.

2.8.1. Ter beoordeling of een bestuursorgaan in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling te verlenen voor het bouwrijp maken van gronden ten behoeve van verwezenlijking van woningbouw, hanteert de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 23 december 2009 in zaak nr. 200902220/1/H1 en in de uitspraak van 27 december 2006 in zaak nr. 200600025/1) de toetsingsmaatstaf of niet op voorhand buiten twijfel staat dat woningbouw niet in enigerlei vorm op de desbetreffende locatie kan worden verwezenlijkt. De vraag of deze toetsingsmaatstaf eveneens dient te worden gehanteerd ter beoordeling of een bestuursorgaan in redelijkheid een projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro heeft kunnen nemen, dient te worden beantwoord door de Afdeling in de bodemprocedure.

2.9. Ook betogen de Vereniging en anderen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het projectbesluit is genomen in strijd met artikel 5.1.3, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat het projectbesluit niet feitelijk uitvoerbaar is, aangezien het gebruik van de zandtransportleiding ten behoeve van de ophoging, zoals door het college beoogd, niet mogelijk is. Voor deze zandtransportleiding is krachtens artikel 17 van de WRO vrijstelling verleend, welke vrijstelling is beperkt tot het gebruik ten behoeve van de verbreding van de Rijksweg A2. Nu dit gebruik is beëindigd, dient de zandtransportleiding te worden verwijderd uit het plangebied, aldus de Vereniging en anderen.

2.9.1. De voorzitter betwijfelt of de voorzieningenrechter met juistheid tot het oordeel is gekomen dat het college de aanwezigheid van de ten behoeve van de werkzaamheden aan de A2 geplaatste zandtransportleiding bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken. Naar voorlopig oordeel leidt dit evenwel niet tot de conclusie dat het projectbesluit ten slotte niet feitelijk uitvoerbaar is. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het college het projectbesluit in die zin kan wijzigen, dat het mede het gebruik van de zandtransportleiding omvat. Voorts geldt als alternatief voor het gebruik van de zandtransportleiding de aanvoer van zand met behulp van vrachtwagens, zo heeft het college ter zitting bevestigd.

2.9.2. Ten slotte betogen de Vereniging en anderen in dit verband dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het projectbesluit economisch onuitvoerbaar is.

2.9.2.1. Volgens het Plan van Aanpak "Traditioneel ontwikkelen van dorps en landelijk wonen in De Winkelbuurt" van 24 december 2009 van de gemeente Abcoude (hierna: het Plan van Aanpak), heeft de gemeenteraad in het voorjaar van 2009 een concessieovereenkomst, inhoudende een geïntegreerd contract voor grondexploitatie en ontwikkeling van opstallen, in een aanbestedingsprocedure op de markt gebracht. In zijn vergadering van 15 oktober 2009 heeft de gemeenteraad het voorstel om de gebiedsontwikkeling van De Winkelbuurt door middel van een concessieovereenkomst te gunnen aan de economisch meest voordelige inschrijver afgewezen, aangezien het beste bod aanzienlijk minder zou opbrengen dan aanvankelijk werd verwacht, aldus het Plan van Aanpak en zoals ook ter zitting door het college is bevestigd.

In een Adviesnota van 5 januari 2010 doet het college de gemeenteraad het voorstel om, zoals in het Plan van Aanpak is uiteengezet, de ontwikkeling van De Winkelbuurt traditioneel aan te besteden, waarbij de gemeente de kosten voor het bouw- en woonrijp maken op zich neemt - voor welke kosten het krediet door de gemeenteraad reeds is goedgekeurd - en de gronden vervolgens uitgeeft voor de ontwikkeling van de opstallen. In het Plan van Aanpak wordt voorts onderkend dat de markt voor nieuwbouwwoningen als gevolg van de economische crisis vrijwel geheel tot stilstand is gekomen.

De Adviesnota staat voor de vergadering van de gemeenteraad van 21 januari 2010 geagendeerd.

2.9.2.2. Weliswaar is naar voorlopig oordeel met de goedkeuring van het krediet voor het uitvoeren van de werkzaamheden waarop het projectbesluit ziet, de financiële en economische uitvoerbaarheid van dat besluit gegeven, maar onder de hiervoor onder 2.9.2.1 weergegeven omstandigheden, is de voorzitter van oordeel dat op grond van de hem ter beschikking staande gegevens onvoldoende zeker is dat de realisering van woningbouw in het projectgebied economisch uitvoerbaar is.

De voorzitter acht de gevolgen voor het projectgebied van de bij het projectbesluit voorziene werkzaamheden zodanig ingrijpend en bovendien onomkeerbaar, dat deze werkzaamheden eerst uitgevoerd dienen te worden indien voldoende zekerheid bestaat dat woningbouw ter plaatse kan worden gerealiseerd. Op 19 februari 2010 staat geagendeerd de behandeling ter zitting door de voorzitter van het verzoek van de Vereniging en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Winkelbuurt", waarbij onder meer de uitvoerbaarheid van dat bestemmingsplan aan de orde komt, mede op basis van de in die procedure verstrekte gegevens, waaronder het besluit dat de gemeenteraad op 21 januari 2010 heeft genomen.

Onder deze omstandigheden, ziet de voorzitter aanleiding het projectbesluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen en daarbij te bepalen dat de schorsing vervalt indien en op het moment dat de voorzitter het verzoek van de Vereniging en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Winkelbuurt" heeft afgewezen.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Abcoude van 7 juli 2009;

II. bepaalt dat de schorsing vervalt indien en op het moment dat de voorzitter het verzoek van de Vereniging en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Winkelbuurt" afwijst;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Abcoude tot vergoeding van bij de Vereniging Bescherming Woonklimaat Abcoude Zuid, [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van bedrag van € 946,75 (zegge: negenhonderdzesenveertig euro en vijfenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Abcoude aan de Vereniging Bescherming Woonklimaat Abcoude Zuid, [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010

476.