Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200903449/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en lichte bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de voorgevel van de woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903449/1/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 april 2009 in zaak

nr. 08/5251 in het geding tussen:

appellanten sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en lichte bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de voorgevel van de woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: de percelen).

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2009, verzonden op 9 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 juni 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 9 juni 2009. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 22 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 20 september 2007 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere reacties ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, van wie [gemachtigden], bijgestaan door mr. T.L. Fernig, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W. Visser, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Drijfholt, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan worden gesteld.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de lichte bouwvergunning.

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengouw 1986" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Woningen met tuinen en erven".

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen en erven, voetpaden, groenvoorzieningen en parkeerplaatsen.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mogen op gronden aangegeven met een kruisarcering hoofdbouwmassa's, woningruimten, bijgebouwen, carports en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, onder a, onderdeel 3, voor zover thans van belang, mag de diepte van de hoofdbouwmassa's niet meer bedragen dan 12 m.

Ingevolge het vierde lid, onder b, mag de gezamenlijke oppervlakte van woningruimten, bijgebouwen en carports niet meer bedragen dan 40 m².

Ingevolge het zevende lid, onder a, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen met ten hoogste 10% van de maten als bedoeld in het derde lid, onder a, onderdeel 3, en het vierde lid, onder b.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt onder hoofdbouwmassa verstaan: de bouwmassa van een woning, die door zijn constructie of afmetingen als de belangrijkste op een bouwperceel valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, wordt onder woningruimten verstaan: bouwwerken aan voor-, zij- en/of achtergevel van een woning of woongebouw ten dienste van een groter genot van het gebruik van het hoofdgebouw, zoals serres, erkers, tochtportalen.

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, zodat het college ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Daartoe voeren zij primair aan dat de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde behoort tot de hoofdbouwmassa. In de bezwaarfase zouden [appellant sub 1] en anderen het college reeds te kennen hebben gegeven de diepte van het bouwplan te willen aanpassen, zodat het college met toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften, bouwvergunning had kunnen verlenen.

2.3.1. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Niet in geschil is dat de diepte van de bestaande hoofdbouwmassa 10,90 m bedraagt en dat het bouwplan, dat voorziet in een uitbreiding van de voorzijde van de woningen, een diepte heeft van 2,5 m. Indien de uitbreiding van de voorzijde van de woningen tot de hoofdbouwmassa moet worden gerekend, ontstaat een diepte van 13,40 m, hetgeen in strijd is met artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planvoorschriften.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrijstellingsmogelijkheid, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften, voor deze overschrijding ontoereikend is. Dat [appellant sub 1] en anderen het college te kennen zouden hebben gegeven de diepte van het bouwplan te willen aanpassen, leidt niet tot een ander oordeel. In het stelsel van de Woningwet is immers geen plaats voor een beslissing omtrent de bouwvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag.

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen subsidiair, indien de uitbreiding van de voorzijde van de woningen moet worden aangemerkt als woningruimte, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat van strijd met artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften geen sprake is, nu de bestaande bebouwing aan de zijgevel van beide woningen geen bijgebouwen betreft, maar deel uitmaakt van de hoofdbouwmassa.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de oorspronkelijke bebouwing van 19,8 m² aan de zijgevel van beide woningen als ondergeschikt aan de hoofdbouwmassa als bijgebouwen moet worden aangemerkt. De oorspronkelijke bijgebouwen zijn later uitgebreid. Het bijgebouw op het perceel [locatie 1] is aan de voor- en achterzijde uitgebreid met 13,8 m² respectievelijk 7,1 m². Het bijgebouw op het perceel [locatie 2] is aan de voorzijde uitbreid met 6,2 m². Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, hebben deze uitbreidingen niet tot gevolg dat de bijgebouwen deel zijn gaan uitmaken van de hoofdbouwmassa.

Nu niet in geschil is dat de carports op beide percelen een oppervlakte hebben van 21,6 m², betekent dit dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en carports op beide percelen reeds meer bedraagt dan 40 m², zodat van strijd met artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften sprake is.

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen meer subsidiair, indien de bestaande bebouwing aan de zijgevel van beide woningen bijgebouwen betreft, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze bijgebouwen bouwvergunningsvrije bouwwerken betreffen, zodat zij niet in de berekening van de gezamenlijke oppervlakte, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, moeten worden betrokken.

2.5.1. Dit betoog treft geen doel, nu voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, niet relevant is of sprake is van bouwvergunningsvrije of bouwvergunningsplichtige bouwwerken.

2.6. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, nu van schending van belangen van derden geen sprake is, faalt. De enkele omstandigheid dat van schending van belangen van derden geen sprake is, betekent niet het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling had moeten verlenen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de "Beleidsregels met betrekking tot erfbebouwing bij woonhuizen" in de weg staan aan het verlenen van vrijstelling, omdat de voorgevelrooilijn, als bedoeld in deze beleidsregels, zal worden overschreden door de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe voert hij aan dat, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, vast staat dat het college de gevraagde bouwvergunning terecht heeft geweigerd, zodat de rechtbank hierin aanleiding had moeten zien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten.

2.7.1. Dit betoog faalt. In de omstandigheid dat het college niet, althans niet toereikend heeft gemotiveerd waarom de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde niet eveneens als hoofdbouwmassa kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank grond gezien het besluit van 24 juni 2008 te vernietigen en het college op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Gelet op de aan het college toekomende beoordelingsruimte ten aanzien van de vraag of de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde als hoofdbouwmassa kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 juni 2008 in stand te laten.

2.8. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant sub 1] en anderen gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 september 2007. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen is tegemoetgekomen, wordt hun hoger beroep, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.10. In het besluit van 5 augustus 2009 heeft het college voldoende gemotiveerd waarom de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde niet als hoofdbouwmassa, maar als woningruimte moet worden aangemerkt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tot de hoofdbouwmassa van een woning slechts behoort de door zijn constructie of afmetingen als de belangrijkste op een bouwperceel aan te merken bouwmassa, zoals deze op grond van de oorspronkelijke bouwvergunning tot stand is gekomen. De enkele omstandigheid dat het college de gelijktijdig met de oorspronkelijke bebouwing gerealiseerde uitbreiding van de woningen aan de achterzijde, die niet in de oorspronkelijke bouwaanvraag was opgenomen, - al dan niet terecht - heeft aangemerkt als hoofdbouwmassa, betekent niet dat het college de uitbreiding van de woningen aan de voorzijde ook moet aanmerken als hoofdbouwmassa.

2.11. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 5 augustus 2009 is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waterland van 5 augustus 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

531.