Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200909068/1/M2 en 200909068/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit 13 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer de aan [appellant] krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 30 januari 1990 voor een vleesvarkensmesterij aan [locatie] te [plaats] ingetrokken. Dit besluit is op 16 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909068/1/M2 en 200909068/2/M2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit 13 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer de aan [appellant] krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 30 januari 1990 voor een vleesvarkensmesterij aan [locatie] te [plaats] ingetrokken. Dit besluit is op 16 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij bief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.C. van Laerhoven-van Veen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

Ingevolge artikel 3:16, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 3:16, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing.

In artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2.2.1. Onder het niet naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht moet mede worden verstaan: het buiten de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn naar voren brengen van zienswijzen.

2.2.2. De openbare kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009. Het ontwerpbesluit heeft van 30 juni 2009 tot 11 augustus 2009 ter inzage gelegen. Niet in geschil is dat het zienswijzengeschrift van [appellant] blijkens het poststempel eerst op 13 augustus 2009, derhalve na afloop van de inzagetermijn en dus te laat, is verzonden. Ter zitting voert hij echter aan dat hij een telefonische reactie heeft gegeven op de vooraankondiging van het college van 16 juni 2009 om de vergunning van 30 januari 1990 in te trekken.

2.2.3. De voorzitter begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat zijn telefonische reactie naar aanleiding van de vooraankondiging dient te worden opgevat als een voortijdig ingediende zienswijze.

2.2.4. Deze telefonische reactie was, zoals het college ter zitting onweersproken heeft verklaard, een reactie op de vooraankondiging. Zij was derhalve geen reactie op het ontwerpbesluit.

2.2.5. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat het bestreden besluit voor hem ingrijpend is, kan niet tot het oordeel leiden dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij eerst na afloop van de inzagetermijn een zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Evenmin is gebleken dat [appellant] dit om een andere reden niet kan worden verweten. Het beroep komt daarom voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking.

2.2.6. Ter zitting heeft [appellant] nog gesteld dat zijn telefonische reactie op de vooraankondiging van 16 juni 2009 als een voortijdige zienswijze tegen het ontwerpbesluit moet worden beschouwd, zodat van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dient te worden afgezien. Die stelling faalt gelet op artikel 3:16, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, reeds omdat bedoelde reactie niet schriftelijk naar voren is gebracht.

2.2.7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

375-584.