Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200905120/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 9000,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/64

Uitspraak

200905120/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juni 2009 in zaak nr. 08/1143 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 9000,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door drs. R.N. Ramsoedh, ambtenaar in dienst van het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het bezwaar van [wederpartij] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grondslag dat haar bezwaarschrift geen gronden bevatte, als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet onderkend dat [wederpartij] de gronden van haar bezwaar bij faxbericht van 10 oktober 2008 tijdig aan de minister heeft toegezonden. [wederpartij] heeft deze verzending aannemelijk gemaakt door het overleggen van het verzendrapport. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2003 (zaak nr. 200300245/1). De minister is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de ontvangst van dit faxbericht op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

2.2. De minister bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft volgens de minister ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2003. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat [wederpartij] eerst bij het indienen van de aanvullende gronden van haar beroep heeft gesteld dat zij de gronden van het bezwaar per fax op 10 oktober 2008 heeft verzonden, aldus de minister. Hij betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de ontvangst van de fax op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend.

2.3. Dit betoog faalt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [wederpartij] de verzending van de gronden van haar bezwaar per fax op 10 oktober 2008 aannemelijk heeft gemaakt door het overleggen van een afschrift van het verzendrapport met daarop de mededeling "verzending ok". De rechtbank heeft bij haar oordeel terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2003. Dat in die uitspraak naast verzending per fax ook sprake was van verzending per post is, anders dan de minister heeft betoogd, geen relevant verschil. Evenmin valt de door de minister gestelde relevantie in te zien van de omstandigheid dat [wederpartij] eerst in beroep heeft aangevoerd de gronden per fax op 10 oktober 2008 te hebben verstuurd. Er bestond voor haar immers geen aanleiding dit eerder te doen. De minister heeft geen stukken overgelegd die aanleiding geven te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank dat [wederpartij] de verzending van het faxbericht aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling van de minister dat hij het faxbericht niet heeft ontvangen is hiervoor onvoldoende.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

512.