Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200904560/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/44

Uitspraak

200904560/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009 in zaak nr. 08/8619 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Bij besluit van 6 november 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2009.

De minister heeft tweemaal een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R.G.J. Wildemors, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van de functie van assistent activiteitenbegeleider bij Stichting de Bruggen te Zwammerdam.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie alsmede van gegevens uit de politieregisters.

2.3. Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG werden door de minister ten tijde van het besluit van 6 november 2008 de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 (Stcrt. 2008, 119; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan een aanvrager die in het geheel niet in de justitiële documentatie voorkomt, wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager wel in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld.

Volgens paragraaf 3.2 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.2.2 toetst de minister of het justitiële gegeven, op zichzelf gezien en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Volgens die paragraaf betreft het een objectief criterium en is het derhalve niet relevant of er een reëel recidivegevaar is. Toepassing van dit criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is de vraag of het feit plaatsvond tijdens de uitoefening van de functie dan wel in de privésfeer niet relevant.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden zijn alleen relevant indien de minister, na weging van de subjectieve criteria, niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt of een VOG kan worden afgegeven. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kunnen volgens de Beleidsregels op velerlei zaken zien, bijvoorbeeld of het feit zich in de privésfeer heeft voorgedaan.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3 van de Beleidsregels. Het specifieke screeningsprofiel 'gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' betreft functies waarin personen belast zijn met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mens en dier in het algemeen. Sommigen zijn specifiek belast met de zorg voor personen die in een afhankelijkheidssituatie verkeren, met de mogelijkheid van een één op één relatie, waarbij zich al dan niet tijdelijke afhankelijkheid voordoet.

2.4. De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat [appellant] op 9 juli 2007 wegens stalking is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde, inhoudende dat hij zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een hulpverlenende instelling.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellant] gepleegde delict, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd. Hij voert aan dat het aan de weigering van de VOG ten grondslag liggende strafbare feit is begaan onder bijzondere omstandigheden in de privésfeer. Verder voert hij aan dat de door hem uit te voeren werkzaamheden altijd in groepsverband plaatsvinden, zodat één op één relaties en al dan niet tijdelijke afhankelijkheid zich niet voordoen. Verder voert hij aan dat, vanwege die bijzondere omstandigheden, herhaling van het gepleegde strafbare feit ondenkbaar is. Ten slotte voert hij aan dat inmiddels de proeftijd zonder incidenten is verlopen en dat in drie andere gevallen voor vergelijkbare werkzaamheden wel een VOG aan hem is verleend.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1, overwogen dat de omstandigheid dat het strafbare feit zich heeft voorgedaan als gevolg van privéomstandigheden niet van doorslaggevend belang is. Het gaat erom of het strafbare feit, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat.

De minister heeft gesteld dat stalking een strafbaar feit is, waarmee een inbreuk wordt gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer en dat [appellant] in de uitoefening van zijn functie verantwoordelijk is voor het welzijn en de veiligheid van personen. Gelet hierop en gelet op het screeningsprofiel 'gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' en de daarbij genoemde risico's, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat er, indien stalking wordt herhaald in de uitoefening van de functie, een risico is voor de veiligheid van de personen waarmee [appellant] als assistent activiteitenbegeleider in aanraking komt. In dit verband is, anders dan [appellant] meent, niet van belang of er een reëel gevaar is voor herhaling van het gepleegde strafbare feit. Dat het door hem verzorgde vervoer van bewoners normaliter in groepsverband plaatsvindt, is bovendien onvoldoende om uit te sluiten dat zich bij de uitoefening van de functie van assistent activiteitenbegeleider één op één relaties kunnen voordoen waarbij bewoners zich in een afhankelijke positie ten opzichte van [appellant] bevinden.

2.5.2. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de bijzondere omstandigheden in de privésfeer waaronder het strafbare feit zou zijn begaan, waardoor volgens hem herhaling van het strafbare feit ook is uitgesloten, biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het belang dat wordt gediend met weigering van de afgifte van de VOG zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant] om werkzaam te zijn in de door hem geambieerde functie. De minister heeft meer gewicht mogen toekennen aan de aard van het delict in relatie tot de beoogde werkzaamheden, de wijze van afdoening van de strafzaak, de recentheid van het gepleegde strafbare feit en het feit dat de proeftijd nog van kracht was.

2.5.3. Bij de rechterlijke toetsing van een besluit moet worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van dat besluit. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar was de proeftijd nog niet ten einde en hadden de door [appellant] bedoelde gevallen waarin wel een VOG is verleend, zich nog niet voorgedaan. Deze feiten en omstandigheden zijn door de rechtbank terecht niet bij de beoordeling betrokken en kunnen ook door de Afdeling niet bij de beoordeling worden betrokken. Bovendien heeft de minister te kennen gegeven dat in andere gevallen ten onrechte een VOG is verleend aan [appellant]. De minister kan niet gehouden worden om in gemaakte fouten te volharden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

312-640.