Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0300

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
200908679/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dat de vreemdeling gescheiden van haar echtgenoot, die gelijktijdig met haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd, zal worden uitgezet geeft evenmin aanleiding de voorziening, als verzocht, te treffen. Gebleken is dat de echtgenoot van de vreemdeling niet traceerbaar is en, zodra bekend is waar hij verblijft, eveneens zal worden uitgezet. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris gehouden is de vreemdeling gelijktijdig met haar echtgenoot uit te zetten en, door dat niet te doen, handelt in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908679/2/V3.

Datum uitspraak: 14 januari 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van A. Dorj om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 oktober 2009 in zaken nrs. 08/44164 en 09/1294 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 20 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 januari 2010, de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.

Er is thans geen grond om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd. Hoewel aan de vreemdeling is aangekondigd dat zij op zeer korte termijn zal worden uitgezet, ziet de voorzitter onder deze omstandigheden geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen.

Dat de vreemdeling gescheiden van haar echtgenoot, die gelijktijdig met haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd, zal worden uitgezet geeft evenmin aanleiding de voorziening, als verzocht, te treffen.

Gebleken is dat de echtgenoot van de vreemdeling niet traceerbaar is en, zodra bekend is waar hij verblijft, eveneens zal worden uitgezet. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris gehouden is de vreemdeling gelijktijdig met haar echtgenoot uit te zetten en, door dat niet te doen, handelt in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.2. Het verzoek dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010

345.

Verzonden: 14 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser