Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
200904734/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat de aanvraag en het bezwaarschrift zijn ingediend door de vreemdeling. Voorts heeft de vreemdeling bij indiening van zowel de aanvraag als het bezwaarschrift gelijkluidende persoonsgegevens opgegeven, te weten [voornaam1 achternaam], moeder van [zoon], geboren op [datum] 1982, van Sierra Leoonse nationaliteit. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het gemaakte bezwaar wegens de afwijkende voornaam in het overgelegde paspoort, terecht niet ontvankelijk is verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/94

Uitspraak

200904734/1/V3.

Datum uitspraak: 11 januari 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 5 juni 2009 in zaken nrs. 08/13645 en 08/13648 in de gedingen tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juni 2009, verzonden op 9 juni 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling heeft op 20 december 2004 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf bij zoon [zoon] gedurende diens medische behandeling" ingediend. Daarbij heeft zij de personalia [voornaam1 achternaam], geboren op [datum] 1982, van Sierra Leoonse nationaliteit, opgegeven. Op 25 oktober 2005 heeft de vreemdeling onder opgave van dezelfde personalia bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van die aanvraag. In de bezwaarprocedure heeft de vreemdeling een paspoort overgelegd dat is gesteld op naam van [voornaam2 achternaam] en verklaard dat dit haar paspoort is. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft de staatssecretaris het bezwaar niet ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen, samengevat weergegeven, dat er gezien de in het paspoort vermelde voornaam juridisch geen sprake is van een verblijfsrechtelijke aanvraag die betrekking heeft op de betrokken vreemdeling. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt gevolgd en geoordeeld dat het bezwaar terecht niet ontvankelijk is verklaard.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris niet heeft betwist dat zij de persoon is die de aanvraag heeft ingediend en zij de moeder is van [zoon]. Verder stelt de vreemdeling dat het enkele feit dat zij een paspoort heeft overgelegd waarin ten aanzien van haar voornaam een afwijkende spelling wordt gehanteerd niet tot het oordeel kan leiden dat zij een andere persoon is dan de persoon die de aanvraag heeft ingediend.

2.2.1. Vaststaat dat de aanvraag en het bezwaarschrift zijn ingediend door de vreemdeling. Voorts heeft de vreemdeling bij indiening van zowel de aanvraag als het bezwaarschrift gelijkluidende persoonsgegevens opgegeven, te weten [voornaam1 achternaam], moeder van [zoon], geboren op [datum] 1982, van Sierra Leoonse nationaliteit. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het gemaakte bezwaar wegens de afwijkende voornaam in het overgelegde paspoort, terecht niet ontvankelijk is verklaard. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het inleidend beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond verklaren en het besluit van 19 maart 2008 vernietigen. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 5 juni 2009 in zaak nr. 08/13645;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 19 maart 2008, kenmerk IND 0201-10-8021;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2010

243-633.

Verzonden: 11 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser