Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
200900775/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hetgeen de vreemdeling in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de brief van 6 juli 2005, zoals weergegeven onder 2.2.1, volgt dat de minister daarin heeft aangegeven in te stemmen met een vergoeding van de verschuldigde leges in het geval dat statushouders een kind krijgen waarvoor een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouders moet worden ingediend. Dit betekent dat artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005, waar deze uitzondering is opgenomen, slechts van toepassing is op het in Nederland geboren kind van de statushouder. Deze uitleg van het COa in het spoor van de minister ligt tevens in de lijn van de toevoeging van artikel 17, zesde lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005, waarin slechts wordt beoogd de groep vreemdelingen aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden alsnog in aanmerking te brengen voor vergoeding van verschuldigde leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouders in het geval het een tijdens de asielprocedure in Nederland geboren kind betreft. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, terecht overwogen dat het COa, onder verwijzing naar de brief van 6 juli 2005, op goede gronden heeft vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de afwijkingsbepaling van artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005, nu het desbetreffende kind in Angola is geboren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900775/1/V1.

Datum uitspraak: 15 januari 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 5 januari 2009 in zaak nr. 08/23751 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa) een verzoek van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om vergoeding van legeskosten afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 13 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 januari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Het COa heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar het COa, vertegenwoordigd door mr. A. Tardjopawiro, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (hierna: de minister) het COa taken, als bedoeld in het eerste lid, opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COa.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005, voor zover thans van belang, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, zijn kosten die samenhangen met een door de asielzoeker ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in ieder geval geen buitengewone kosten, als bedoeld in het eerste lid.

In het zesde lid wordt een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin het COa op een daartoe strekkend verzoek van een vreemdeling van het bepaalde in het vijfde lid kan afwijken.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, kan dat voor zover het de leges betreft voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij ouders', in de gevallen waarin de statushouder op het moment van aanvraag niet minimaal evenveel verdient als de normbedragen uit de Wet werk en bijstand.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder d, kan dat voor zover het de leges betreft ter zake van de afdoening van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijfsdoel 'verblijf bij ouders' ingediend door een in Nederland geboren kind dat op grond van artikel 3, derde lid, onder d, opvang wordt geboden.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna ook: de minister) van 6 juli 2005, heeft geoordeeld dat de uitzondering van artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005 alleen ziet op kinderen die in Nederland zijn geboren, zodat niet wordt voldaan aan die afwijkingsbepaling. Daartoe voert zij aan dat als de wetgever de bedoeling had gehad om die uitzonderingsbepaling te beperken tot aanvragen ten behoeve van in Nederland geboren kinderen, dit zoals dit in artikel 17, zesde lid, onder d, van de Rva 2005 is gebeurd - in de bepaling zou zijn opgenomen.

2.2.1. In het door de minister gevoerde beleid met betrekking tot vergoeding van leges is als uitgangspunt genomen dat voor min- en onvermogenden geen apart legestarief zal gelden en evenmin in een hardheidsclausule zal worden voorzien. Dit uitgangspunt is neergelegd in de brief van de minister van 28 mei 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 VI, nr. 165).

De minister heeft bij brief van 8 maart 2005 aan het COa nader toegelicht dat het sinds de inwerkingtreding van de Rva 2005 niet langer is toegestaan om aanvragers van een verblijfsvergunning regulier legeskosten te vergoeden omdat dit niet strookt met voormeld beleid.

Bij brief van 6 juli 2005 aan het COa heeft de minister aangegeven dat in bepaalde gevallen, waaronder het geval dat vergunninghouders een kind krijgen waarvoor een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij ouder moet worden ingediend, aanvragers wel in aanmerking moeten komen voor vergoeding van de verschuldigde leges. Meer in het bijzonder acht de minister de situatie ongewenst dat een kind van een statushouder illegaal in Nederland zou verblijven. Daarom stemt de minister in om in zeer uitzonderlijke gevallen waarin van de statushouder niet in rede had kunnen worden gevergd dat deze aan de arbeidsmarkt had deelgenomen, verschuldigde leges voor een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf bij ouders' te vergoeden.

Uit de toelichting bij het besluit van 7 september 2006 strekkende tot wijziging van de Rva 2005 (Stcrt. 2006, 177) volgt dat met de wijziging van artikel 17 van de Rva 2005 is beoogd het bestendige beleid te formaliseren waarin leges voor de afdoening van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier niet voor vergoeding door het COa in aanmerking komen. Volgens de toelichting gelden de in het zesde lid limitatief opgesomde uitzonderingen op deze hoofdregel slechts ten aanzien van nader gespecificeerde categorieën alleenstaande minderjarige vreemdelingen en onder bepaalde voorwaarden ten aanzien van statushouders die voor hun kind een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouders.

Met het besluit van 15 februari 2008 strekkende tot wijziging van de Rva 2005 (Stcrt. 2008, 39) is onderdeel d van artikel 17, zesde lid, van de Rva 2005 toegevoegd, waarmee is beoogd, zoals onder meer volgt uit de toelichting daarop, dat - in aanvulling op sub c - ook asielzoekers aan wie op grond van de Rva 2005 opvang wordt geboden, kunnen verzoeken om vergoeding van verschuldigde leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor hun in Nederland geboren kind dat op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 opvang wordt geboden.

2.2.2. Hetgeen de vreemdeling in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de brief van 6 juli 2005, zoals weergegeven onder 2.2.1, volgt dat de minister daarin heeft aangegeven in te stemmen met een vergoeding van de verschuldigde leges in het geval dat statushouders een kind krijgen waarvoor een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouders moet worden ingediend. Dit betekent dat artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005, waar deze uitzondering is opgenomen, slechts van toepassing is op het in Nederland geboren kind van de statushouder. Deze uitleg van het COa in het spoor van de minister ligt tevens in de lijn van de toevoeging van artikel 17, zesde lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005, waarin slechts wordt beoogd de groep vreemdelingen aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden alsnog in aanmerking te brengen voor vergoeding van verschuldigde leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouders in het geval het een tijdens de asielprocedure in Nederland geboren kind betreft. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, terecht overwogen dat het COa, onder verwijzing naar de brief van 6 juli 2005, op goede gronden heeft vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de afwijkingsbepaling van artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005, nu het desbetreffende kind in Angola is geboren.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.J.E. Horstink von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk

voorzitter

w.g. Groeneweg

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010

32-587.

Verzonden: 15 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser