Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200902637/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de raad van de gemeente Dronten (hierna: de raad) het bestemmingplan "Swifterbant-Bloemenzoom (7030)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902637/1/R2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten 1], wonend te [woonplaats], gemeente Dronten,

2. [appellanten 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de raad van de gemeente Dronten (hierna: de raad) het bestemmingplan "Swifterbant-Bloemenzoom (7030)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) heeft bij zijn besluit van 17 september 2008, kenmerk 733111, over de goedkeuring ervan beslist.

Bij uitspraak van 20 januari 2009 in zaaknr. 200808171/1 en 200808171/2 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling dat besluit vernietigd.

Bij brief van 17 februari 2009, kenmerk U08.003097/REO/RP, heeft het college aan de raad medegedeeld dat het plan van rechtswege is goedgekeurd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, en [appellanten 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, beroep ingesteld. [appellanten 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2009, waar [appellanten 1], [appellanten 2], vertegenwoordigd door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Vuuregge, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 64 woningen in het zuidelijke deel van het plangebied en legt voor het noordelijke deel een aantal bestaande en een aantal nog niet verwezenlijkte woon- werklocaties vast.

Het beroep van [appellanten 1]

2.3. [appellanten 1], allen wonend ter plaatse van de woon- werklocaties, betogen dat de voorziene ontsluiting via de Industrieweg niet adequaat is nu de weg te smal is om het verkeer te verwerken en onvoldoende is gekeken naar de verkeersveiligheid voor met name voetgangers. In geval van een calamiteit is deze enkele ontsluitingsweg volgens hen onvoldoende voor de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten. Voorts stellen [appellanten 1] dat, doordat de Industrieweg een doodlopende weg is en er geen keermogelijkheid is, het vrachtverkeer via de Bloemenzoom zal gaan rijden, hetgeen leidt tot een toename van het verkeer op de wegen in het plangebied. De realisering van een tweede ontsluitingsweg in het zuidelijke deel van het plangebied ten behoeve van de woningbouw is volgens [appellanten 1] ten onrechte niet in het plan vastgelegd. Daarmee komt de gemeente de aangegane inspanningsverplichting als opgenomen in de vaststellingsovereenkomst niet na.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontsluiting via de Industrieweg voldoende adequaat is. Fietsers en wandelaars kunnen volgens het college gebruik maken van het pad tussen de Zwanebloem en de Biddingweg.

2.5. Gelet op de breedte van de Industrieweg van zeven meter en de geschatte verkeerstoename van 600 voertuigen per etmaal bestaat geen grond voor het oordeel dat de weg onvoldoende capaciteit heeft voor de opvang van het verkeer. Evenmin bestaat aanleiding voor het standpunt dat de enkele ontsluiting via de Industrieweg om redenen van verkeersveiligheid voor met name voetgangers ongewenst is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ten gunste van het langzame verkeer tussen de Zwanebloem en het plangebied alsmede tussen het plangebied en het ten zuiden daarvan gelegen bosgebied voet-en fietspaden worden aangelegd.

Nu deze verkeersafwikkeling afdoende kan worden geacht behoefde de door [appellanten 1] opgeworpen vaststellingsovereenkomst niet aan de goedkeuring in de weg te staan.

2.5.1. Ten aanzien van de voorlopige bestemming binnen de bestemming verblijfsdoeleinden is in artikel 7 van de planvoorschriften bepaald: "De op de plankaart voor verblijfsdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. wegen met een functie voor verkeer en verblijf, met dien verstande dat de gronden voorzien van de aanduiding "groenvoorzieningen" tot 2 jaar na goedkeuring van het bestemmingsplan bestemd zijn voor groenvoorzieningen;

2. parkeervoorzieningen;

3. voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling;

4. groenvoorzieningen;

5. speelvoorzieningen;

6. kunstobjecten.

2.5.2. Uit de stukken blijkt dat in het vorige bestemmingsplan was voorzien in een tweede ontsluitingsweg. Het college heeft hier evenwel goedkeuring aan onthouden om redenen van verkeersveiligheid. De voorziene ontsluitingsweg zou uitkomen op de Biddingweg, een provinciale weg, waarvoor een maximumsnelheid van 80 km/uur geldt. In het voorliggende plan is een voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 12 van de WRO opgenomen waarbij binnen twee jaar na inwerkingtreding van het plan de bestemming automatisch wijzigt in verblijfsdoeleinden teneinde alsnog een tweede ontsluitingsweg aan te leggen. Een voorwaarde voor deze ontsluiting is volgens de plantoelichting dat de Biddingweg een bebouwde kom karakter krijgt en wordt afgewaardeerd naar een maximumsnelheid van 50 of 70 km/u.

Met het vervallen van de aanduiding groenvoorzieningen binnen de bestemming verblijfsdoeleinden wordt de mogelijkheid geschapen tot het aanleggen van een weg. Een verplichting daartoe bestaat evenwel niet nu binnen deze bestemming tevens andere voorzieningen zijn toegelaten. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat evenwel geen grond voor het oordeel dat de aanleg van een tweede ontsluitingsweg in het plan verder moet worden zeker gesteld nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.5. geldt dat de enkele ontsluiting van het plangebied via de Industrieweg voldoende adequaat is.

2.6. [appellanten 1] stellen verder dat ten onrechte voor de woningen in het noordelijke deel van het plangebied geen nieuwe geluidmetingen zijn verricht.

2.7. Op grond van artikel 76, derde lid, van de Wet geluidhinder geldt dat indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan zowel de woningen als de weg reeds aanwezig zijn en zich ook geen reconstructie van de weg als bedoeld in die wet voordoet, sprake is van een bestaande situatie zodat kan worden volstaan met een beschrijving van de geluidsituatie ter plaatse en niet opnieuw onderzocht hoeft te worden of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Nu de woningen van [appellanten 1] ten tijde van de vaststelling van het plan reeds aanwezig waren is sprake van een bestaande situatie.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht.

Het beroep van [appellanten 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten 2]

2.9. [appellanten 2] stellen dat ten onrechte wordt voorzien in een ontsluiting van het plangebied via de Industrieweg. De Industrieweg is door het gebruik daarvan als gevolg van de aanliggende (agrarische)bedrijven ongeschikt om als ontsluitingsweg te dienen. De Industrieweg dient volgens hen helemaal niet te worden gebruikt voor de ontsluiting van het plangebied. De ontsluiting dient via een nieuwe weg, uitkomend op de Biddingweg, plaats te vinden. In artikel 7 van de planvoorschriften is dan ook ten onrechte niet opgenomen dat met het vervallen van de voorlopige bestemming groenvoorzieningen de bestemming verblijfsdoeleinden voor een weg geldt. Daardoor blijft het onzeker of de weg gerealiseerd zal worden. In aansluiting hierop stellen [appellanten 2] dat het op grond van het beeldkwaliteitsplan ongewenst is de ontsluiting via de Industrieweg te laten plaatsvinden nu de schaal en de uitstraling van de bebouwing langs de Industrieweg niet past bij de beeldkwaliteit van het plangebied.

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.5. bestaat geen grond voor het oordeel dat de Industrieweg als ontsluitingsweg ongeschikt is. Daarmee bestaat geen noodzaak om met het vervallen van de voorlopige bestemming te voorzien in een directe bestemming voor een weg. Het ten behoeve van het plan opgestelde beeldkwaliteitsplan ziet uitsluitend op de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing. Daarbij is rekening gehouden met de ligging van het plangebied als zichtlocatie aan de rand van het dorp. Het feit dat de bebouwing qua schaal en vormgeving niet aansluit bij het aangrenzende gebied aan de Industrieweg, waar zich met name agrarische bedrijven bevinden, brengt niet met zich dat daardoor het gebied niet via de Industrieweg kan worden ontsloten.

2.11. [appellanten 2] stellen tot slot dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit onvoldoende is onderbouwd nu in het onderzoek is uitgegaan van een tweede ontsluiting op de Biddingweg. Nu de ontsluiting uitsluitend plaatsvindt op de Industrieweg dient het onderzoek naar de luchtkwaliteit zich tevens over deze weg uit te strekken, aldus [appellanten 2].

2.12. Uit het verkennend luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat bij de berekening is uitgegaan van de situatie dat het verkeer van het plangebied via de Biddingweg ontsluit. Bij de berekening is er voorts vanuit gegaan dat de Biddingweg bepalend is voor de toekomstige situatie omtrent de luchtkwaliteit in het plangebied. Weliswaar is in het onderzoek niet gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse van de Industrieweg maar gelet op de uitkomst van het onderzoek, dat ter plaatse van de Biddingweg ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, is niet aannemelijk dat ter plaatse van de Industrieweg sprake zal zijn van overschrijding van de normen. De berekeningen wijzen uit dat de Biddingweg het meeste verkeer genereert, ook indien het verkeer van het plangebied ontsluit via de Industrieweg en deze toename niet wordt meegerekend. Niet aannemelijk is gemaakt dat het gehanteerde uitgangspunt in het luchtkwaliteitsonderzoek onjuist is en dat meting ter plaatse van de Industrieweg leidt tot een andere uitkomst.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellanten 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht.

Het beroep van [appellanten 2] is ongegrond.

Proceskosten

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

317-608.