Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200901271/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lith (hierna: het college) aan Stichting Landbouwontwikkelingsplan Lith (hierna: Stichting LOP Lith) vrijstelling verleend voor het realiseren van een mestverwerkingsinstallatie op het perceel Parallelstraat (ongenummerd) te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901271/1/H1.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1],

2. [appellant sub 2], allen wonend te [plaats], gemeente Lith,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2009 in zaken nrs. 07/1701 en 07/1867 in het geding tussen:

appellanten sub 1,

appellant sub 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Lith.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lith (hierna: het college) aan Stichting Landbouwontwikkelingsplan Lith (hierna: Stichting LOP Lith) vrijstelling verleend voor het realiseren van een mestverwerkingsinstallatie op het perceel Parallelstraat (ongenummerd) te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het college aan BioEnergy-Maasland B.V. (hierna: BioEnergy) reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel.

Bij besluiten van 16 januari 2007 heeft het college de besluiten van 22 juli 2004 en 8 augustus 2006 gewijzigd.

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2009, verzonden op 16 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 april 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2009, hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 19 maart 2009. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 26 april 2009.

BioEnergy heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2010, waar [appellanten sub 1] , bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers Nb, [appellant sub 2], eveneens vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, zijn verschenen. Voorts is ter zitting BioEnergy, vertegenwoordigd door J. van Schijndel, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en P.J.H. van der Linden, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van die wet, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Niet in geschil is dat [appellanten sub 1] op een afstand van minimaal 600 m van de bouwlocatie wonen. Zij hebben vanuit hun woning enig zicht op de bouwlocatie. Gezien het hier aan de orde zijnde bouwplan, worden [appellanten sub 1] bij een dergelijke afstand niet geraakt in een belang dat rechtstreeks bij de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning is betrokken. Voorts is niet in geschil dat [appellant sub 2] op een afstand van minimaal 250 m van de bouwlocatie woont. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op de bouwlocatie. Dit zicht wordt hem ontnomen door de tussen zijn woning en de bouwlocatie gelegen dijk. Ook [appellant sub 2] wordt gelet op deze omstandigheden niet geraakt in een belang dat rechtstreeks bij de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning is betrokken. Dit betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte als belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, heeft aangemerkt.

2.3. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 24 april 2007 gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2009 in zaken nrs. 07/1701 en 07/1867;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lith van 24 april 2007, kenmerk

R&W/2006-4241-2300;

V. verklaart de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lith van 22 juli 2004, 8 augustus 2006 en 16 januari 2007 niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lith aan [appellanten sub 1] en

[appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 366,00 (zegge: driehonderdzesenzestig euro) voor

[appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 366,00 (zegge: driehonderdzesenzestig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

531.