Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200903039/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) de door [appellant] aangevraagde subsidie voor restauratie van het dak van zijn boerderij in het kader van de regeling 'Dakbedekking van Boerderijen' die onderdeel uitmaakt van het 'Provinciaal Meerjarenprogramma Landelijk Gebied 2007-2013' geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:4
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 4:26
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/626
ABkort 2010/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903039/1/H2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 maart 2009 in zaak nr. 08/1026 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) de door [appellant] aangevraagde subsidie voor restauratie van het dak van zijn boerderij in het kader van de regeling 'Dakbedekking van Boerderijen' die onderdeel uitmaakt van het 'Provinciaal Meerjarenprogramma Landelijk Gebied 2007-2013' geweigerd.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover zijn e-mail van 3 november 2007 niet als aanvraag is beschouwd en de aanvraag ten onrechte niet buiten behandeling is gelaten, en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2009, verzonden op 24 maart 2009, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.H.L. Oostra, werkzaam bij de provincie Fryslân, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder c, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 4:26, eerste lid, wordt bij of krachtens wettelijk voorschrift bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de bekendmaking van het subsidieplafond de wijze van verdeling vermeld.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Kadersubsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied provincie Fryslân 2007 (hierna: de verordening) worden subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld tenzij door provinciale staten van Fryslân anders is bepaald.

Ingevolge het derde lid wordt een aanvraag om subsidie ingediend bij het college op een daartoe vastgesteld formulier.

2.2. In de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 3 november 2007 is bekend gemaakt dat de provincie Fryslân € 1.000.000,00 subsidie beschikbaar stelt voor de dakbedekking van historische boerderijen om het behoud van de historische verschijningsvorm van boerderijen, niet zijnde rijksmonument, te stimuleren. Het beschikbare subsidiebedrag is nadien verhoogd tot € 2.000.000,00.

[appellant] heeft op 3 november 2007 het college per e-mail medegedeeld dat hij in een oude boerderij woont van vóór 1940, die geen rijksmonument is maar wel in een gebied ligt dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het dak van zijn boerderij zakt door en lekt en moet daarom opnieuw worden aangelegd en geïsoleerd hetgeen volgens [appellant] zeker € 100.000,00 zal gaan kosten. Omdat hij niet over dat bedrag beschikt, vraagt [appellant] het college of hij ook voor de subsidieregeling in aanmerking kan komen indien hij eerst begint met het herstel van de helft van het dak en geeft hij aan dat als dat mogelijk is, zijn bericht als een formele aanvraag voor verlening van de subsidie moet worden beschouwd.

Op 5 november 2007 heeft een medewerkster van de provincie Fryslân daarop per e-mail geantwoord dat zijn bericht is doorgestuurd naar de voor die subsidieregeling verantwoordelijk medewerker en dat [appellant] een formulier moet invullen om in aanmerking te komen voor de subsidieregeling, waarbij hij is gewezen op de vindplaats van dat formulier op de website van de provincie. [appellant] heeft dit aanvraagformulier ingediend op 13 november 2007.

Op 24 november 2007 heeft de provincie Fryslân bekend gemaakt dat de mogelijkheid tot het indienen van de subsidieaanvragen wordt gesloten.

Bij brief van 5 december 2007, verzonden op 14 december 2007, heeft het college [appellant] medegedeeld dat zijn aanvraag onvolledig is omdat de gespecificeerde offerte van de aannemer ontbreekt, waarbij hij in de gelegenheid is gesteld deze binnen 14 dagen bij het college in te dienen, hetgeen [appellant] heeft gedaan op 20 december 2007.

Het college heeft bij het besluit van 25 januari 2008 de door [appellant] aangevraagde subsidie geweigerd omdat op de tweede dag van de openstelling van de subsidieregeling, op 6 november 2007, het beschikbare budget van € 2.000.000,00 is overschreden en zijn aanvraag na die datum is ontvangen of gecompleteerd. Bij het besluit van 8 april 2008 is dit besluit herroepen en heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat de volledige aanvraag van [appellant] is ontvangen na de sluitingsdatum van de subsidieregeling.

2.3. [appellant] heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn e-mail van 3 november 2007 geen aanvraag is. Hij betoogt dat deze e-mail als aanvraag moet worden beschouwd en 3 november 2007 als de datum van ontvangst van zijn aanvraag heeft te gelden voor de verdeling van het beschikbare subsidiebedrag. Hij voert daartoe aan dat hij ten tijde van de verzending van de e-mail niet wist dat de aanvraag per formulier moest worden ingediend en dat zijn aanvraag voldoende is onderbouwd in de e-mail. Voorts stelt hij dat de commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten van de provincie Fryslân (hierna: de commissie) heeft vastgesteld dat de termijn tussen het aankondigen en het openstellen van de subsidieregeling veel te kort was. Dat het subsidieplafond is overschreden, biedt volgens [appellant] onvoldoende grondslag hem de subsidie te weigeren.

2.3.1. Het betoog faalt. In de publicaties van de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 3 november 2007 is vermeld dat de aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 5 november 2007 en het college op volgorde van binnenkomst beslist, met dien verstande dat wanneer de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid is gesteld de onvolledige aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Alhoewel [appellant] per mail van 3 november 2007 heeft laten weten dat hij in aanmerking wil komen voor de subsidie, heeft hij de aanvraag om subsidie op het daartoe bestemde formulier als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de verordening ingediend op 13 november 2007 en was deze aanvraag volledig op 20 december 2007. Niet in geschil is dat de aanvragen op datum van binnenkomst worden behandeld en het subsidieplafond op 6 november 2007 was bereikt danwel overschreden. Nu vast staat dat het college de aanvulling van [appellant] eerst na die datum heeft ontvangen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de door hem aangevraagde subsidie had moeten afwijzen.

Dat tussen de publicatie in de twee lokale kranten en de feitelijke openstelling van de subsidieregeling één dag is gelegen, zoals de commissie heeft geconstateerd, doet niet aan dit oordeel af. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om te zorgen dat de aanvraag aan de wettelijke voorschriften voldoet en volledig is. Het lag ook op de weg van [appellant] om zo spoedig mogelijk de volledige aanvraag in te dienen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk was. De offerte van de aannemer is namelijk gedateerd 27 januari 2006. Voorts is van belang dat in de hiervoor genoemde publicaties onder het kopje "Hoe kunt u een aanvraag indienen", diverse contactpersonen met telefoonnummers zijn vermeld bij wie [appellant] bijtijds informatie had kunnen inwinnen en hierin ook is verwezen naar de website van de provincie Fryslân voor het aanvraagformulier en meer informatie over de subsidieregeling.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2008 in stand heeft gelaten, slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200902244/1/H1), is voor het in stand laten van de rechtsgevolgen beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] niet buiten behandeling had moeten stellen maar had moeten afwijzen, kan het besluit van 8 april 2008, dat strekte tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag, de rechterlijke toets niet doorstaan en is er geen aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. In zoverre moet de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2009 worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 januari 2008 alsnog ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 april 2008.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 maart 2009 in zaak nr. 08/1026 voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 8 april 2008 in stand blijven;

III. verklaart het bezwaar ongegrond;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 april 2008;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

85-615.