Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9934

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200902074/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" (hierna: het herzieningsplan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 3:44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/171

Uitspraak

200902074/1/R3.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 e.a.], wonend te [plaats] en [plaats], gemeente Geldermalsen,

2. [appellanten sub 2], wonend te [plaats], gemeente Geldermalsen,

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" (hierna: het herzieningsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1 e.a.] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2009, en [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud:[appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2009, waar [appellant sub 1 e.a.], vertegenwoordigd door A.G.W. Tempels, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Kun, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de Dienst Landelijk Gebied (hierna: de DLG), vertegenwoordigd door

E. de Walle, daar gehoord.

2. Overwegingen

Het herzieningsplan

2.1. Het herzieningsplan is opgesteld voor die plandelen uit het bestemmingsplan "Buitengebied" waaraan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) goedkeuring heeft onthouden. Daarnaast is bij de vaststelling van het herzieningsplan op verzoek van de DLG aan landbouwpercelen op een vijftal locaties, waaronder aan de Kooiweg en aan de Molendijk te Rumpt, de bestemming "Natuur- en bosgebied" toegekend zodat ter plaatse bos kan worden gerealiseerd ten behoeve van de compensatieverplichting die voortvloeit uit de verbreding van de A2.

Het beroep van [appellant sub 1 e.a.]

2.2. [appellant sub 1 e.a.] richten zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" aan de Kooiweg 1.

2.2.1. De gronden aan de Kooiweg 1 zijn bestemd als "Natuur- en bosgebied" met onder meer de aanduiding "eendenkooi". Ter plaatse van het perceel Kooiweg 1 bevinden zich een eendenkooi, een bijbehorend kooibos en een weiland; 9,7 hectare van het weiland zal worden heringericht tot een bosgebied.

In artikel 12, eerste lid, van de planregels is, voor zover van belang, bepaald dat de als "Natuur- en bosgebied" op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor:

- behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke alsmede cultuurhistorische waarden van het natuur- en bosgebied;

- behoud en herstel van cultuurhistorische waarden, voor zover de gronden zijn aangegeven met 'fort', alsmede expositieruimte en ondergeschikte horeca voor zover het betreft Fort Asperen;

- eendenkooien, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met 'eendenkooien'.

2.2.2. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1 e.a.] met betrekking tot de onregelmatigheden die hebben plaatsgevonden bij de terinzagelegging van het vastgestelde herzieningsplan, overweegt de Afdeling als volgt. Door de raad is niet weersproken dat van 13 tot en met 23 maart 2009, de eerste elf dagen van de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde herzieningsplan, in plaats van de vastgestelde plankaarten de ontwerpplankaarten in het gemeentehuis ter inzage lagen en dat bovendien enkele stukken ontbraken. Hierdoor is in strijd gehandeld met de artikelen 3.8, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang bezien met de artikelen 3:44, eerste lid, onder a, en 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze onregelmatigheden kunnen ertoe leiden dat het na afloop van de beroepstermijn indienen van een beroep tegen het herzieningsplan verschoonbaar wordt geacht en het beroep door de Afdeling in behandeling wordt genomen. [appellant sub 1 e.a.] hebben echter tijdig beroep ingesteld tegen het vaststellingsbesluit en voorts is niet gebleken dat zij door de onregelmatigheden in hun belangen zijn geschaad. Anders dan [appellant sub 1 e.a.] veronderstellen, kunnen deze onregelmatigheden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten nu deze hebben plaatsgevonden na de datum van dit besluit. De onregelmatigheden kunnen derhalve geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.2.3. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat agrariërs als gevolg van het realiseren van een bosgebied op het perceel Kooiweg 1 niet in hun uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Het standpunt van [appellant sub 1 e.a.] dat agrariërs vrezen dat zij als gevolg hiervan in een volgende planherziening in hun uitbreidingsmogelijkheden zullen worden beperkt, heeft geen betrekking op het herzieningsplan. Dit aspect kan derhalve niet in deze procedure aan de orde komen. In een mogelijke toekomstige procedure tot herziening van het onderhavige plan staat weer rechtsbescherming open. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.2.4. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 1 e.a.] dat op het perceel Kooiweg 1 geen parkeerplaats kan worden gerealiseerd nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor de verlening van een aanlegvergunning, zoals opgenomen in artikel 12, zesde lid, van de planregels, overweegt de Afdeling dat de vraag of wordt voldaan aan deze voorwaarden geen betrekking heeft op het herzieningsplan maar op de toepassing daarvan. Deze vraag kan dan ook niet in deze procedure maar in een eventuele procedure met betrekking tot een aanlegvergunning aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve eveneens buiten beschouwing blijven.

2.2.5. Het betoog van [appellant sub 1 e.a.] dat het perceel Kooiweg 1 niet als "Natuur- en bosgebied" mocht worden bestemd, nu in het plangebied in totaal in plaats van de noodzakelijke 62,6 hectare, 69 hectare ten behoeve van compensatie als zodanig is bestemd en bovendien 1,2 hectare van het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" aan de Kooiweg 1 een particuliere compensatieverplichting betreft, faalt. In dit verband overweegt de Afdeling dat nog daargelaten de vraag of, zoals [appellant sub 1 e.a.] betogen, in de tracébesluiten "Tracébesluit A2, trajecten knooppunt Everdingen - knooppunt Deil en Zaltbommel - knooppunt Empel" van 28 februari 2000 en "Tracébesluit A2 knooppunt Everdingen - knooppunt Deil" van 7 november 2008 al is bepaald dat uit het oogpunt van compensatie niet meer dan 62,6 hectare natuur dient te worden gerealiseerd, aan de raad gelet op de systematiek van de Wro een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen. Het staat de raad dan ook vrij - mits in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en het recht - een door hem te bepalen aantal hectaren grond, al dan niet uit het oogpunt van voornoemde compensatieverplichting, te bestemmen als "Natuur- en bosgebied".

2.2.6. Voorts faalt het betoog van [appellant sub 1 e.a.] dat ter plaatse van het perceel Kooiweg 1 ten onrechte een bosgebied wordt mogelijk gemaakt nu als gevolg daarvan het gebruik van de op dat perceel aanwezige eendenkooi niet kan worden gehandhaafd en bovendien de cultuurhistorische waarde daarvan wordt aangetast. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1 e.a.] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de realisering van het bosgebied en de daarmee gepaard gaande wijziging van de invlieghoek voor eenden zal leiden tot een zodanige afname van de eendenpopulatie ter plaatse dat de eendenkooi niet meer als zodanig in gebruik kan blijven. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de invlieghoek voor eenden weliswaar wijzigt, maar dat de aanwas van de aan te planten soorten dusdanig gering is per jaar dat de eenden voldoende tijd hebben om te wennen aan de nieuwe situatie. Verder overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1 e.a.] evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat de roofvogelpopulatie door de realisering van het bosgebied zodanig zal toenemen dat als gevolg daarvan het aantal dieren en/of soorten ter plaatse van de eendenkooi zal afnemen. Voorts hebben [appellant sub 1 e.a.] niet aannemelijk gemaakt dat de openheid van het gebied rondom de eendenkooi moet worden aangemerkt als een cultuurhistorische waarde van de eendenkooi, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de eendenkooi in zoverre als gevolg van de realisering van het bosgebied wordt aangetast. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat in zoverre sprake is van strijd met artikel 12 van de planregels, nu daaruit, anders dan [appellant sub 1 e.a.] veronderstellen, slechts volgt dat de als "Natuur- en bosgebied" aangegeven gronden ter plaatse van de aanduiding "eendenkooi" eveneens zijn bestemd als eendenkooi, maar niet dat eventuele natuur- en cultuurhistorische waarden rondom de eendenkooi moeten worden beschermd.

2.2.7. Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 1 e.a.] dat het woon- en leefklimaat van de bewoners van de percelen Kooiweg 2 en 2a wordt aangetast, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat het huidige uitzicht vanuit de woningen op deze percelen in zuidelijke richting zal wijzigen. De raad heeft echter in redelijkheid aan het belang van het realiseren van een bosgebied ter plaatse, mede gelet op de onder 2.1. genoemde compensatieverplichting, een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van de bewoners van Kooiweg 2 en 2a bij het behoud van hun huidige uitzicht. Hierbij betrekt de Afdeling dat het bosgebied op een afstand van ruim 20 meter van deze woningen zal worden gerealiseerd. In de stellingen van [appellant sub 1 e.a.] met betrekking tot de door hen gevreesde gevolgen voor de ten noorden van Kooiweg 1 gelegen percelen die samenhangen met schaduwwerking en de overwaai van bladeren en takken wordt voorts geen grond gevonden voor een ander oordeel.

2.2.8. [appellant sub 1 e.a.] voeren verder aan dat de ter plaatse van het perceel Kooiweg 1 aan te planten soorten niet passen in de omgeving - mede gelet op de natte komkleigronden en de mogelijkheid dat ziektes worden overgebracht - en dat zij vrezen voor een verloedering van de omgeving als gevolg van onvoldoende onderhoud aan het bosgebied. Deze aspecten hebben geen betrekking op het herzieningsplan maar op de uitvoering daarvan. Hetgeen [appellant sub 1 e.a.] hebben aangevoerd brengt naar het oordeel van de Afdeling niet mee dat in het herzieningsplan een bepaling had moeten worden opgenomen omtrent de ter plaatse te planten soorten. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de keuze van de aan te planten soorten rekening dient te worden gehouden met de belangen van omwonenden en bedrijven in de omgeving en dat bovendien deze keuze reeds is gemaakt door de DLG, een deskundige op dit gebied. Voorts is van belang dat de raad heeft toegezegd dat met de eigenaar van de gronden waarop het bosgebied zal worden gerealiseerd een overeenkomst, met daarin opgenomen een kwalitatieve verplichting, zal worden gesloten waarin onder meer beheeruitgangspunten worden vastgelegd.

2.2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1 e.a.] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het herzieningsplan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" ter plaatse van het perceel Kooiweg 1, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1 e.a.] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 2] vreest dat als gevolg van de realisering van een bosgebied op het perceel aan de Molendijk tussen de nummers 12 en 13, zijn naastgelegen fruitteeltbedrijf schade zal ondervinden en in de toekomst niet meer kan uitbreiden in de richting van dat perceel. Verder voert hij aan dat de raad ten onrechte geen risicoanalyse heeft uitgevoerd.

2.3.1. Het perceel aan de Molendijk tussen de nummers 12 en 13 is bestemd als "Natuur- en bosgebied". De als zodanig aangegeven gronden zijn ingevolge artikel 12 van de planregels onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke alsmede cultuurhistorische waarden van het natuur- en bosgebied. In artikel 12 zijn geen bepalingen opgenomen omtrent de ter plaatse aan te planten soorten.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat de keuze voor de aan te planten soorten een aspect is dat geen betrekking heeft op het herzieningsplan zelf maar op de uitvoering daarvan. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd brengt naar het oordeel van de Afdeling voorts niet mee dat vanwege de mogelijke schade aan zijn bedrijf in de planregels een bepaling had moeten worden opgenomen omtrent de ter plaatse aan te planten soorten. Hierbij betrekt de Afdeling dat, zoals reeds is overwogen onder 2.2.8., de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de keuze van de aan te planten soorten rekening dient te worden gehouden met de belangen van omwonenden en bedrijven in de omgeving en dat deze keuze reeds is gemaakt door de DLG, een deskundige op dit gebied. Voorts heeft de raad toegezegd dat de inplant van de eerste rij bomen 6 tot 8 meter vanaf de eigendomsgrens dan wel de insteek van de sloot zal plaatsvinden. De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 2] in het bijzonder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inlandse eik, de Inlandse kers en de Kleinbladige Linde - die overeenkomstig het voornemen van de raad zullen worden geplant op voornoemd perceel aan de Molendijk - kunnen leiden tot een zodanige schade aan zijn bedrijf, dat de aanplant van deze soorten in de planregels had moeten worden uitgesloten. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat dit geen soorten zijn die een plantenziektedruk of insectenziektedruk geven op cultuurgewassen en dat in het niet nader onderbouwde standpunt van [appellant sub 2] dat zich aan beplanting gerelateerde ziekten kunnen ontwikkelen die zich kunnen verspreiden naar zijn fruitteeltbedrijf, geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat desondanks moet worden gevreesd voor dergelijke ziekten. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 2] dat zijn bedrijf als gevolg van de realisering van bosgebied op het perceel niet meer kan uitbreiden in de richting van dat perceel overweegt de Afdeling dat een dergelijke beperking van zijn bedrijfsvoering niet voortvloeit uit de planregels en dat evenmin is gebleken dat deze in de praktijk zal optreden. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf als gevolg van de realisering van het bosgebied zodanige planschade zal ondervinden dat het plan bij gebreke van een risicoanalyse niet mocht worden vastgesteld.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het herzieningsplan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" ter plaatse van het perceel aan de Molendijk tussen de nummers 12 en 13, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Vroegindeweij, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

410-559.