Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200904292/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum (hierna: het college) de zonder aanlegvergunning verrichte werkzaamheden op twee percelen achter de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen) stilgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904292/1/H1.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 mei 2009 in zaak nr. 08/3170 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum (hierna: het college) de zonder aanlegvergunning verrichte werkzaamheden op twee percelen achter de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen) stilgelegd.

Bij besluit van 11 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2009, waar [appellant], bijgestaan door N.J. Ursum, en het college, vertegenwoordigd door J.A.T. van Loenen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De werkzaamheden waartegen handhavend wordt opgetreden bestaan uit het afgraven, ophogen en verharden van gronden.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor deze werkzaamheden een aanlegvergunning is vereist.

2.2.1. Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 200904293/1 heeft overwogen is voor de werkzaamheden een aanlegvergunning vereist. Vast staat dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen aanlegvergunning was verleend. Aangezien de werkzaamheden werden verricht zonder de daartoe vereiste vergunning, was het college bevoegd ter zake handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering gaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten aanzien van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft overwogen dat de situatie van de boomgaard van [buurtgenoot] aan de [locatie a] te [plaats] niet zodanig gelijk is aan zijn situatie dat op grond daarvan thans niet in redelijkheid gehandhaafd mocht worden.

2.4.1. Op het perceel van [buurtgenoot] zijn naar ter zitting is gebleken bomen gekapt, waarna het college voor de herplant daarvan een aanlegvergunning heeft verleend. Het college heeft ter zitting verklaard dat deze aanlegvergunning achteraf niet had mogen worden verleend. Ter zitting heeft het college verder verklaard dat tegen de overige aanlegwerkzaamheden op het perceel van [buurtgenoot] ook handhavend zal worden opgetreden teneinde de oorspronkelijke waarde van de gronden te herstellen. Gelet hierop faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.4.2. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college tot het toepassen van bestuursdwang mocht besluiten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

163-619.