Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9921

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200903803/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) de aan [appellante] verstrekte geldelijke steun voor funderings- en cascoherstel van haar woning opnieuw vastgesteld en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903803/1/H2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 april 2009 in zaak

nr. 08-6276 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) de aan [appellante] verstrekte geldelijke steun voor funderings- en cascoherstel van haar woning opnieuw vastgesteld en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2009, verzonden op 14 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Braeken, werkzaam bij de gemeente Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:22, tweede lid, van de Gemeentelijke Subsidieverordening Stadsvernieuwing 1994 (hierna: de subsidieverordening) stelt het college de geldelijke steun opnieuw vast volgens de in het derde lid genoemde reeks als de eigenaar het gebouw waarvoor op grond van deze paragraaf geldelijke steun is verstrekt binnen 5 jaar na vaststelling van die geldelijke steun ten behoeve van de laatste fase van funderingsherstel vervreemdt, mits aan de voorwaarden en bepalingen van dit hoofdstuk is voldaan.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder c, wordt de herziene vaststelling van de geldelijke steun zoals bedoeld in het vorige lid gesteld als percentage van het bedrag van de oorspronkelijk vastgestelde geldelijke steun. Bij vervreemding in het derde jaar na vaststelling van de geldelijke steun voor de eerste fase wordt een percentage van 40% gehanteerd.

Ingevolge het zesde lid, voor zover thans van belang, kan het college in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in het tweede lid.

2.2. In de toelichting op de subsidieverordening is vermeld dat afwijking, als bedoeld in het zesde lid, mogelijk is in geval van bijzondere omstandigheden en als de gevolgen van de vervreemding voor de eigenaar duidelijk negatief zijn.

2.3. [appellante] was eigenaar van de woning aan de [locatie] in [plaats] waarvan de fundering was aangetast door de zogeheten palenpest. Het college heeft bij besluiten van 28 februari 2005 en 27 februari 2006 de aan [appellante] toegekende subsidie voor de eerste onderscheidenlijk tweede fase van het funderings- en cascoherstel vastgesteld op totaal € 18.500,00. [appellante] heeft de woning vervolgens verkocht en op 29 juni 2007 in eigendom aan de koper overgedragen. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 januari 2008 krachtens artikel 2:22, tweede en derde lid, van de subsidieverordening de subsidie opnieuw vastgesteld op het lagere bedrag van € 7.400,00 en de te veel betaalde subsidie teruggevorderd. Daarbij heeft het college geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 2:22, zesde lid, van de subsidieverordening (hierna: de hardheidsclausule).

2.4. Niet is in geding dat het college ingevolge artikel 2:22, tweede lid, van de subsidieverordening gehouden is de subsidie opnieuw vast te stellen overeenkomstig het bepaalde in het derde lid. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule.

2.5. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd in diens standpunt dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven de hardheidsclausule toe te passen, faalt. Vaststaat dat alle bewoners aan de [locaties] zijn geconfronteerd met palenpest waardoor zij in dezelfde situatie verkeren als [appellante]. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de hoge, extra kosten ten gevolge van de palenpest geen bijzondere omstandigheid vormen die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule. Dat [appellante] tegen de vorige eigenaar van de woning die de palenpest heeft verzwegen geen civiele procedure heeft gevoerd wegens de daaraan verbonden kosten, is een keuze van [appellante] die losstaat van de subsidierelatie en waarvan de gevolgen voor haar rekening komen. Aan de door [appellante] genoemde omstandigheid dat haar financiële situatie anders is dan die van de andere woningeigenaren in de [locaties], kan evenmin de conclusie worden verbonden dat het college in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet hoefde te motiveren waarom in het kader van de beoordeling of de vervreemding voor haar negatieve gevolgen heeft, de kosten van het funderings- en cascoherstel en de daarvoor ontvangen subsidie buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Indien de kosten niet hoeven te worden meegenomen, heeft de hardheidsclausule volgens [appellante] geen enkele betekenis aangezien door de waardestijging van woningen in de voorbije jaren vervreemding nimmer negatieve gevolgen zal hebben.

2.6.1. Dit betoog faalt. In de toelichting op artikel 2:22 van de subsidieverordening is vermeld dat voor de toepassing van de hardheidsclausule onder meer noodzakelijk is dat de gevolgen van de vervreemding voor de eigenaar duidelijk negatief zijn. Derhalve dient te worden beoordeeld of de verkoop van de woning tot een negatief saldo heeft geleid. Niet is vermeld dat financiële gegevens los van de verkoop, zoals de kosten van het funderings- en cascoherstel en de daarvoor ontvangen subsidie, daarbij dienen te worden betrokken. Gelet hierop heeft het college in het besluit op bezwaar kunnen volstaan met de verwijzing naar het in de toelichting gegeven toetsingskader voor de toepassing van de hardheidsclausule, alsmede naar de aan de hand daarvan verrichte berekening van het saldo na verkoop. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college niet gehouden was zijn berekening nader te motiveren. Niet kan worden ingezien dat deze wijze van berekening ertoe leidt dat de hardheidsclausule nimmer zal worden toegepast aangezien niet is uitgesloten dat een woning met verlies wordt verkocht.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

85-609.