Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200903728/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Velsen (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Driehuis en Velsen-Zuid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903728/1/R2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub.1], gevestigd te [plaats], waarvan de beherend vennoot [vennoot], wonend te [plaats] is,

2. [appellant sub. 2], gevestigd te [plaats] (Noord-Holland),

3. [appellant sub. 3], wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Velsen (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Driehuis en Velsen-Zuid".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub. 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, [appellant sub. 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, en [appellant sub. 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2009, beroep ingesteld. [appellant sub. 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub. 1] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar [appellant sub. 1], vertegenwoordigd door P. van Hoven, [appellant sub. 2], vertegenwoordigd door A.G.M. Hoogeland, [appellant sub. 3], vertegenwoordigd door mr. S. Asghar, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door

S. Noorlander en H. Kloosterman, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is een actualisering van zeven (verouderde) bestemmingsplannen. Het plan is grotendeels consoliderend van aard.

Het beroep van [appellant sub. 1].

2.3. [appellant sub. 1] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om de door haar geëxploiteerde snackbar op het perceel Pontplein 1, aan de westzijde uit te breiden. De motivering van de raad om de uitbreiding aan de westkant niet toe te staan, namelijk om te voorkomen dat het doorzicht op het Noordzeekanaal wordt belemmerd en te voorkomen dat de voorgestelde bouwmassa het zicht en de toegang tot het uitkijkplateau op het Pontplein zal blokkeren, is volgens [appellant sub. 1] onjuist. Volgens haar heeft de gewenste uitbreiding aan de westzijde geen invloed op de toegang tot het uitkijkplateau. Het doorzicht op het Noordzeekanaal wordt al door diverse andere bebouwing en door parkeerplaatsen belemmerd, en de gewenste uitbreiding zal daar nauwelijks aan toe- of afdoen. Tot slot stelt [appellant sub. 1] dat de toegekende uitbreidingsmogelijkheid aan de noordzijde financieel niet haalbaar, en dus niet uitvoerbaar is.

2.3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld, dat ten behoeve van het vrije uitzicht op het Noordzeekanaal en op het uitzichtplateau uitbreiding alleen in noordelijke richting mogelijk is en niet in een andere richting. Volgens het college moet voorkomen worden dat het Pontplein, dat in 2001 opnieuw is ingericht, wordt volgebouwd met kleine gebouwen. Een bebouwing aan de westzijde zou het doorzicht op het Noordzeekanaal en het zicht op het uitkijkplateau beperken.

2.3.2. Ter zitting hebben het college en de raad aannemelijk gemaakt dat met een uitbreiding aan de westzijde van de snackbar het doorzicht naar het Noordzeekanaal en het uitzicht op het uitkijkplateau wordt weggenomen. Anders dan [appellant sub. 1] heeft gesteld, is ter zitting voorts komen vast te staan dat het doorzicht op het Noordzeekanaal niet al volledig is weggenomen door bestaande bebouwing. Op het Pontplein staat zowel in het midden, als aan de linkerzijde - uitkijkend op het Noordzeekanaal - geen bebouwing. Verder heeft [appellant sub. 1] niet aannemelijk gemaakt dat een uitbreiding financieel noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf, en dat deze uitbreiding uitsluitend naar de westkant kan geschieden. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bezwaren van [appellant sub. 1] niet zodanig groot zijn, dat daaraan meer gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang van een vrij doorzicht naar het Noordzeekanaal.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub. 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van de [appellant sub. 2].

2.4. [appellant sub. 2] stelt dat het opnemen van de kernen

Velsen-Zuid en Driehuis in één bestemmingsplan in strijd is met het beleid van de raad om de kernenstructuur te handhaven. Verder voert de stichting aan dat in de toelichting op het bestemmingsplan enkele tekstuele onjuistheden staan.

2.4.1. Het college heeft, in navolging van de raad, zich op het standpunt gesteld dat de keuze voor één bestemmingsplan voor meerdere kernen, niets afdoet aan de kernenstructuur.

2.4.2. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

[appellant sub. 2] heeft niet beargumenteerd waarom het opstellen van verschillende bestemmingsplannen voor de afzonderlijke kernen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de voorkeur zou moeten hebben boven het vaststellen van één bestemmingsplan voor twee kernen. In hetgeen [appellant sub. 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Met betrekking tot de stelling van [appellant sub. 2] dat in de plantoelichting onjuistheden voorkomen, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting geen deel uitmaakt van het plan zodat daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend. In eventuele onjuistheden in de plantoelichting, wat daar overigens ook van zij, hoefde het college dan ook geen aanleiding te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.4.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub. 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub. 3].

2.5. [appellant sub. 3] voert aan dat aan zijn perceel, Driehuizerkerkweg 9 te Velsen Zuid ten onrechte de bestemming "Bos-Parken" is toegekend. Volgens [appellant sub. 3] wordt hij aldus, gezien de omschrijving van "Bos-Parken" in artikel 7.1 van de planvoorschriften, in zijn mogelijkheden beperkt om zijn erf en tuin in te richten en te gebruiken, zoals elke andere woningeigenaar binnen het bestemmingsplangebied dat kan.

Hij wijst er op dat zijn perceel wordt omsloten door de bestemmingen "Recreatie" en "Verkeersdoeleinden", en dat aan de overzijde van de Driehuizerkerkweg een woonwijk en sportvelden, met eveneens een groen karakter, liggen.

2.5.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat met de bestemming "Bos-Parken" het groene karakter van het perceel kan worden behouden, ter bescherming van de bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied. Het stelt dat het perceel van [appellant sub. 3] onderdeel is van een parkachtig landschap waarin veel landgoederen en monumenten zijn gelegen. Om die reden heeft het perceel van [appellant sub. 3] niet de bestemming "Wonen". Verder wijst het college er op dat ingevolge artikel 7.3.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is voorzien in het verlenen van een binnenplanse vrijstelling voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 55 m2 bij een hoofdgebouw.

2.5.2. Aan het perceel van [appellant sub. 3] is de bestemming "Bos-Parken" toegekend. Binnen dit perceel is een bouwvlak, met daarop de aanduiding BP (w) opgenomen. Op dit bouwvlak staat de woning van [appellant sub. 3] .

Ingevolge artikel 7.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor de bestemming "Bos-Parken (BP) aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud en beheer van de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden in de vorm van bebouwing, parken, bos en bebossing;

b. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen bijvoorbeeld in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, speel- en ligweiden;

(...)

ter plaatse van de aanduiding:

j. "(w)"is uitsluitend wonen toegestaan;

(...).

Ingevolge artikel 7.5.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen, parkeergelegenheid

en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b. het aanplanten van bomen en/of houtgewas;

c. het kappen en/of rooien van bomen en houtgewas;

d. het uitvoeren van graafwerkzaamheden (...);

2.5.3. Uit deze bepalingen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat voor vrijwel elke verandering die [appellant sub. 3] wil aanbrengen in zijn tuin, een aanlegvergunning nodig is. De nadelige gevolgen die dit voor [appellant sub. 3] met zich brengt, staan niet in evenredige verhouding tot de met het besluit te dienen doeleinden om het parkachtige landschap op het perceel van [appellant sub. 3] te beschermen. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad ook op een minder vergaande wijze het parkachtige landschap ter plaatse kan behouden, bijvoorbeeld door aan een deel van het perceel de bestemming "Bos Parken (BP)" toe te kennen en een ander deel van het perceel als tuin te bestemmen.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub. 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan op dit punt goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub. 3] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos-Parken" dat betrekking heeft op het perceel Driehuizerkerkweg 9 te Velsen-Zuid. De Afdeling ziet tevens aanleiding in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.6. Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten van [appellant sub. 3] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub. 1] en [appellant sub. 2] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub. 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 april 2009, kenmerk 2009-21273, voor zover het de goedkeuring betreft van het plandeel met de bestemming "Bos-Parken", dat betrekking heeft op het perceel Driehuizerkerkweg 9 te Velsen Zuid;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 21 april 2009;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub. 1] en [appellant sub. 2] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub. 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant sub. 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

361.