Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9911

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200900910/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 5.2/2008008614, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Noordenveld (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan waterberging en natuurontwikkeling herinrichting Roden/Norg".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/11 met annotatie van D. van der Meijden
Module Ruimtelijke ordening 2010/5558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900910/1/R2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 5.2/2008008614, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Noordenveld (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan waterberging en natuurontwikkeling herinrichting Roden/Norg".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.J. Nicolaas van Stichting Univé Rechtshulp, en het college, vertegenwoordigd door W.F.R. Feenstra, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest, vertegenwoordigd door mr. J.J. Feunekes, ambtenaar in dienst van het waterschap, en ing. A. van Guldener, secretaris van de Bestuurscommissie voor de herinrichting van Peize.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het bestemmingsplan wordt beoogd de berging van water alsmede het behoud en de ontwikkeling van natuur zoals is voorzien in het in werking getreden Inrichtingsplan Waterberging - Natuur Roden-Norg (hierna: het inrichtingsplan) mogelijk te maken binnen een gebied dat globaal is gelegen ten noorden van Roden en Peize en ten zuidwesten van de stad Groningen. De systematiek van het plan gaat uit van het toevoegen van de dubbelbestemming "Waterberging en natuur" aan de bestemmingen in de desbetreffende vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Noordenveld.

2.3. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend voor zover het plan een permanente waterstandsverhoging ten behoeve van natuurontwikkeling nabij hun perceel aan de [locatie] te [plaats] mogelijk maakt in een gebied dat aan de westelijke zijde van het Peizerdiep ligt. [appellanten] wensen dat de begrenzing van het waterbergings- en natuurontwikkelingsgebied op ongeveer 500 meter afstand van hun woning en op ongeveer 250 meter ten westen van het Peizerdiep komt te liggen.

[appellanten] onderschrijven weliswaar het algemene belang van een goede waterberging overeenkomstig het inrichtingsplan, doch naar hun mening is in het plan ten onrechte geen rekening gehouden met de reëel te verwachten muggenoverlast bij hun woning en op hun perceel als gevolg van de permanente waterstandsverhoging in de polder Matsloot. Volgens [appellanten] kan het belang de muggenoverlast te bestrijden geen rol meer spelen in vervolgprocedures omtrent de verlening van vergunningen.

[appellanten] betogen verder dat ten onrechte niet is voorzien in een regeling voor de vergoeding van schade voortkomend uit een permanente waterstandsverhoging ten behoeve van nieuwe natuur maar alleen is voorzien in vergoeding van schade als gevolg van waterberging.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat aan het algemene belang van zowel een goede waterberging als natuurontwikkeling een groot gewicht moet worden toegekend.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat de feitelijke uitwerking van de dubbelbestemming "Waterberging en natuur" plaatsvindt volgens het inrichtingsplan. Volgens het college zal eerst bij de aanvraag van de vereiste bouw- en aanlegvergunningen ten behoeve van de realisatie van de dubbelbestemming "Waterberging en natuur" toetsing plaatsvinden van de ruimtelijke effecten voor de woonomgeving, waarbij eventueel te nemen maatregelen om een muggenplaag te voorkomen aan de orde kunnen komen.

Het college stelt zich verder op het standpunt dat de Nadeelcompensatieregeling van het waterschap Noorderzijlvest, die op 1 oktober 2006 in werking is getreden, voorziet in een adequate regeling voor vergoeding van schade.

2.5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de op de plankaart voor "Waterberging en natuur" aangewezen gronden, naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor de berging van water alsmede voor het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder 'Afstemmingsbepaling', vindt de inrichting van de bestemming plaats conform het door het waterschap Noorderzijlvest voor het gebied op 4 juli 2007 vastgestelde en op 4 september 2007 door het college goedgekeurde inrichtingsplan dat reeds in werking is getreden.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, een aanlegvergunning nodig voor het inrichten van het gebied met het oog op waterberging en het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder c, van de planvoorschriften plegen burgemeester en wethouders, alvorens over de onder b bedoelde vergunning voor werkzaamheden met een bodemverstoring te beslissen, overleg met de provinciaal archeoloog en/of de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De aanlegvergunning kan alleen worden verleend indien verkennend archeologisch onderzoek is uitgevoerd en daarbij aangetroffen archeologische waarden door middel van behoud in de gronden, dan wel opgraving kunnen worden gegarandeerd, met dien verstande dat geen archeologisch onderzoek is vereist wanneer door de provinciaal archeoloog is aangegeven dat onderzoek niet noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder d, van de planvoorschriften kan de onder b bedoelde vergunning alleen worden verleend indien door middel van ecologisch onderzoek is aangetoond dat wordt voldaan aan het bepaalde in de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet.

2.6. Uit de stukken blijkt dat het college en het waterschap de wateroverlast van het afgelopen decennium in het watersysteem van de Electraboezem willen tegengaan door onder andere het realiseren van een waterberging. Tevens wordt gestreefd naar vernatting van het desbetreffende gebied ten behoeve van moerasontwikkeling, waarvoor een aanzienlijk hoger waterpeil noodzakelijk is. Deze voorziene ontwikkelingen zijn vastgelegd in het inrichtingsplan. Volgens het inrichtingsplan zal een aantal maatregelen worden genomen om de negatieve effecten te minimaliseren en een goede uitgangssituatie te creëren. In de uitvoeringsfase zullen de plannen volgens het inrichtingsplan nader worden uitgewerkt.

Als onomstreden staat verder vast dat zich in het plangebied op grote schaal grote zeggenmoeras zal ontwikkelen, dat een ideaal leefklimaat is voor muggen. Voorts staat vast dat regelmatige doorstroming van watergangen noodzakelijk is om explosieve groei van muggen te voorkomen en dat overlast kan worden voorkomen door nieuwe natte natuur niet te dicht bij menselijke bewoning te positioneren.

2.6.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WRO mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd indien - voor zover hier van belang - het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Volgens het tweede lid van dit artikel mogen aan een aanlegvergunning slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. Het in het plan opgenomen aanlegvergunningstelsel strekt tot het reguleren van het uitvoeren van werken en werkzaamheden ten behoeve van de te realiseren waterberging in het gebied en het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden. De Afdeling stelt vast dat de aanlegvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 3, zesde lid, onder c en d, van de voorschriften alleen mag en moet worden verleend indien er geen archeologische bodemverstoring plaatsvindt en aan bepaalde ecologische maatstaven is voldaan.

Aangaande het standpunt van het college volgens hetwelk de ruimtelijke effecten, waaronder die voor de omwonenden, van de toegekende bestemming eerst in het kader van de aanlegvergunningprocedure zullen worden getoetst, overweegt de Afdeling dat ruimtelijke toetsingscriteria voor zover het de belangen van [appellanten] betreft, niet in het plan zijn opgenomen. Het college heeft in zoverre miskend dat [appellanten] de aantasting van hun woongenot niet kunnen inbrengen in de belangenafweging die moet plaatsvinden in de aanlegvergunningsprocedure.

Gelet op artikel 44, eerste lid, van de Woningwet geldt mutatis mutandis hetzelfde voor een aanvraag om bouwvergunning, nu het verlenen van een bouwvergunning in de planvoorschriften niet afhankelijk is gesteld van een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO. De beroepsgrond slaagt.

2.6.2. Wat betreft het betoog van [appellanten] dat ten onrechte niet is voorzien in een schaderegeling voor de schade die voortkomt uit een permanente waterstandsverhoging, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de plantoelichting blijkt dat met ingang van 1 oktober 2006 de Nadeelcompensatieregeling waterschap Noorderzijlvest in werking is getreden. Op grond van deze regeling kan het dagelijks bestuur van het waterschap op verzoek een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen vergoeding toekennen aan degene die als gevolg van rechtmatige besluiten en handelingen van het waterschapsbestuur schade lijdt of ander nadeel ondervindt.

Verder is voor een wijziging van de waterstand in het betrokken gebied een peilbesluit vereist van het algemeen bestuur van het waterschap. Ingevolge artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding, voor zover hier van belang, wordt aan degene die ten gevolge van het vaststellen of wijzigen van een peilbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, door het gezag dat het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend.

Gelet op het voorgaande alsmede gezien de planschaderegeling in artikel 49 van de WRO, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in een afdoende schaderegeling is voorzien. De beroepsgrond faalt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het desbetreffende plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring aan bedoeld plandeel te onthouden.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 2 december 2008, kenmerk 5.2/2008008614, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder II genoemde plandeel in de plaats treedt van het onder II vermelde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,79 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en negenenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Drenthe aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

177-602.

<HR>

plankaart