Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200909427/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de door verzoekster (hierna: de UvW) vastgestelde "Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen" (hierna: de Gedragscode) goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2010/1 met annotatie van Boerema
Module Ruimtelijke ordening 2010/1942
Milieurecht Totaal 2010/291
BA 2010/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909427/2/H3.

Datum uitspraak: 15 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

de vereniging Unie van Waterschappen, gevestigd te Den Haag,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2009 in zaak nr. 07/1013 in het geding tussen:

de vereniging Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, gevestigd te Arnhem,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de door verzoekster (hierna: de UvW) vastgestelde "Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen" (hierna: de Gedragscode) goedgekeurd.

Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft de minister een van de bij het besluit van 10 juli 2006 gestelde aanvullende gedragsregels geschrapt.

Bij uitspraak van 27 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem het door de vereniging Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (hierna: de VZZ) tegen het besluit van 10 juli 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer de UvW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 januari 2010, waar de UvW, vertegenwoordigd door mr. E.J. Snijders-Storm, advocaat te Den Haag, en mr. W.J. Wensink en ir. C. van Bladeren, beiden werkzaam in haar dienst, de VZZ, vertegenwoordigd door ir. S.J. Vreugdenhil en dr. J.M. Drees, beiden werkzaam in haar dienst, en de minister, vertegenwoordigd door mrs. drs. W. van Dijk en J.E.W. Tieleman, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De UvW heeft de voorzitter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de Gedragscode, hangende behandeling van de hoger beroepen, wordt aangemerkt als ware hij goedgekeurd, als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit).

2.2. De UvW heeft de Gedragscode ter goedkeuring aan de minister voorgelegd, teneinde de daarin vermelde werkzaamheden te laten vallen onder de in artikel 16b, eerste lid, van het Vrijstellingsbesluit neergelegde vrijstelling van verschillende verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Indien deze vrijstelling niet van toepassing is, dient ontheffing te worden gevraagd voor elke werkzaamheid waarbij de desbetreffende verbodsbepalingen kunnen worden overtreden. Aannemelijk is dat aanvragen om ontheffingen voor de in de eerste helft van 2010 geplande werkzaamheden niet binnen zo korte termijn kunnen worden afgehandeld, dat deze in dat geval tijdig kunnen worden uitgevoerd. Voorts is aannemelijk dat daaruit risico's voor de veiligheid en de waterhuishouding kunnen voortvloeien, aangezien de werkzaamheden met name onderhoud van waterkeringen betreffen. Derhalve is er een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Nu voorts niet buiten twijfel is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep onverkort in stand zal blijven, bestaat aanleiding om de na te melden voorziening te treffen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de door de vereniging Unie van Waterschappen vastgestelde "Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen" wordt aangemerkt als ware hij goedgekeurd, als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, met dien verstande dat de bij het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 juli 2006, met kenmerk DN. 2006/1934, zoals gewijzigd bij het besluit van 23 augustus 2006, met kenmerk DN. 2006/2407, gestelde aanvullende gedragsregels in acht worden genomen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010

582.