Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200904362/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 mei 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/191

Uitspraak

200904362/1/M2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel en de stichting Stichting Milieufederatie Limburg, onderscheidenlijk gevestigd te Deurne en Maastricht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 mei 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel en de stichting Stichting Milieufederatie Limburg (hierna: Behoud de Peel en Milieufederatie Limburg) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L. Jansen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door ing. A.M.C.M. Crasborn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Het beroepschrift is door [indiener] ondertekend namens Behoud de Peel en Milieufederatie Limburg. Uit de stukken blijkt echter niet dat [indiener] gemachtigd is beroep in te stellen namens Milieufederatie Limburg.

[indiener] is bij aangetekende brief van 19 juni 2009 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 17 juli 2009 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De gestelde vertegenwoordiging is niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Slechts is een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [indiener] gemachtigd was om namens Milieufederatie Limburg zienswijzen naar voren te brengen tegen het ontwerp van het besluit. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [indiener] in verzuim is geweest. Gelet hierop is het beroep, voor zover het is ingesteld door Milieufederatie Limburg, niet-ontvankelijk.

2.3. Behoud de Peel betoogt dat de vergunning op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij had moeten worden geweigerd, vanwege de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden. Volgens haar is bij de uitvoering van de in voornoemd artikel opgenomen omgevingstoets ten onrechte geen rekening gehouden met de aanwezigheid van de natuurgebieden de Waterbloem, de Groote Moost en de Kleine Moost en de hoge achtergronddepositie ter plaatse.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.3.2. Het college heeft bij de toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij aansluiting gezocht bij de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Beleidslijn). Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer samen met de Regeling aanwijzing BBT-documenten, is het college verplicht bij vergunningverlening rekening te houden met de Beleidslijn.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 maart 2009 in zaak nr. 200800463/1) bestaat er geen grond voor het oordeel dat de in de Beleidslijn gekozen wijze van uitvoering van de omgevingstoets de door de IPPC-richtijn gelaten beoordelingsmarge overschrijdt. In zoverre bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college de Beleidslijn in dit geval niet kon toepassen. De Beleidslijn laat bovendien de ruimte om op basis van de specifieke omstandigheden in de omgeving van de veehouderij verdergaande eisen te stellen dan die voortvloeien uit het generieke stelsel van de Beleidslijn.

2.3.4. Het college stelt dat uit de Beleidslijn volgt dat bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van de beste beschikbare technieken (waarbij de emissie overeenkomt met de in bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij gestelde maximale emissiewaarde), zolang de totale jaarlijkse ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, uitgaande van toepassing van de beste beschikbare technieken, meer dan 5.000 kg, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van toepassing van de beste beschikbare technieken te worden gerealiseerd. In tabel 1 van de beleidslijn is voor een aantal diercategorie├źn de vereiste reductie weergegeven.

Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand komt overeen met een ammoniakemissie van 1.975,17 kg per jaar. Uitgaande van de toepassing van de beste beschikbare technieken zou de ammoniakemissie 3.932 kg per jaar bedragen. De aangevraagde stalsystemen brengen dus een ammoniakemissie met zich die lager is dan de ammoniakemissie die het toepassen van de beste beschikbare technieken met zich zou brengen. Volgens het college geeft de aanwezigheid van de door Behoud de Peel genoemde natuurgebieden geen aanleiding om te eisen dat een nog lagere ammoniakemissie wordt bereikt. Toepassing van de omgevingstoets geeft het college daarom geen aanleiding om de vergunning te weigeren.

2.3.5. De Afdeling ziet in het beroep, noch in het verhandelde ter zitting, aanleiding voor het oordeel dat het college hiermee onvoldoende gemotiveerd of op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de Beleidslijn. Het college heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de omgevingstoets geen aanleiding geeft om de vergunning te weigeren. De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door de stichting Stichting Milieufederatie Limburg;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

492.