Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9887

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200905744/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensvermeerderingsbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juli 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/192
JOM 2010/215

Uitspraak

200905744/1/M2.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensvermeerderingsbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 augustus 2009. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 28 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, in persoon, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en W.N. de Vries en K.W. Roeberts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting vergunninghouder als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerder heeft het college bij besluit van 21 januari 2008 een revisievergunning verleend voor de inrichting. Dit besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 28 januari 2009, zaak nr. 200800903/1 vernietigd. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw een revisievergunning verleend voor de inrichting. De vergunning ziet onder meer op het houden van vleesvarkens, kraamzeugen, guste en dragende zeugen, dekberen en gespeende biggen.

2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

[appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C], behorend tot [appellant sub 1] en anderen, wonen op een zodanige afstand van de inrichting dat het niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen kunnen worden ondervonden van de inrichting. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] en anderen is, voor zover het is ingesteld door voornoemde personen, niet-ontvankelijk.

[appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 C] en [appellant sub 2 A en appellant sub 2 B], behorend tot [appellant sub 2] en anderen, wonen op een zodanige afstand van de inrichting dat het niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen kunnen worden ondervonden van de inrichting. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] en anderen is, voor zover het is ingesteld door voornoemde personen, niet-ontvankelijk.

2.3. Vergunninghouder en het college stellen dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover het de grond over de beste beschikbare technieken betreft. Volgens hen hebben zij hierover geen zienswijzen naar voren gebracht.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.2. Anders dan vergunninghouder en het college stellen heeft de beroepsgrond over de beste beschikbare technieken betrekking op stankhinder. [appellant sub 2] en anderen hebben over dit besluitonderdeel zienswijzen naar voren gebracht. In zoverre bestaat er geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.4. [appellant sub 2] en anderen stellen dat ten onrechte geen milieu-effectrapport (hierna: MER) is opgesteld.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een mer moet worden gemaakt.

In categorie 14 van onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 is als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 350 of meer plaatsen voor zeugen.

2.4.2. De aanvraag ziet op het houden van meer dan 350 zeugen, zodat moest worden beoordeeld of bij de voorbereiding van het bestreden besluit een MER moest worden gemaakt. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college besloten dat er geen noodzaak bestaat tot het opstellen van een MER. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 28 januari 2009 bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is. De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 2] en anderen stellen dat het college ten onrechte geen nieuw ontwerp-besluit heeft opgesteld na voornoemde door de Afdeling uitgesproken vernietiging van het besluit van 21 januari 2008.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 16 april 2003 in zaak nr. 200202984/1 en 26 juli 2006 in zaak nr. 200806476/1/M2, staat het het bevoegd gezag, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

2.5.2. [appellant sub 2] en anderen hebben niet gemotiveerd waarom het college niet kon terugvallen op de aan het vernietigde besluit ten grondslag liggende procedure. In deze niet nader gemotiveerde stelling ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college er in dit geval niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om voorafgaand aan het nemen van het besluit een nieuw ontwerpbesluit op te stellen. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen stellen dat de woning [locatie] ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting. Zij wijzen erop dat er sinds de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2009, waarin is overwogen dat de woning [locatie] ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van geurhinder, geen wijziging is opgetreden in de situatie ter plaatse.

2.6.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1) brengt een redelijke wetsuitleg mee dat - anders dan in de uitspraak van 28 januari 2009, in zaak nr. 200800903/1 is gedaan - bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, eveneens aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat door de enkele ingebruikneming van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning, bescherming aan die woning zou toekomen ten opzichte van de veehouderij waartoe deze behoorde, terwijl met de inwerkingtreding van de Wet geurhinder ook de planologische status van belang wordt geacht voor de vraag of een object moet worden beschermd tegen stankhinder.

2.6.3. De woning op het perceel [locatie] is bestemd als agrarische bedrijfswoning en behoort planologisch gezien nog steeds bij de nog in werking zijnde inrichting. In dit licht bezien maakt de woning nog steeds onderdeel uit van de inrichting, zodat deze geen bescherming toekomt tegen geuremissie afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning [locatie] derhalve terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting. De beroepsgrond faalt.

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

2.8. [appellant sub 2] en anderen stellen dat ten onrechte niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn toegepast. Er zijn volgens hen stallen beschikbaar die een lagere uitstoot van stank met zich brengen dan de vergunde stalsystemen.

2.8.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200804185/1, moet er ten aanzien van een huisvestingsysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) gestelde eisen van worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.8.2. Ten aanzien van de huisvestingssystemen voor de vergunde vleesvarkens, kraamzeugen, guste en dragende zeugen en gespeende biggen, overweegt de Afdeling als volgt.

De ammoniakemissie van de bij het bestreden besluit vergunde stalsystemen voor vleesvarkens, kraamzeugen, guste en dragende zeugen en gespeende biggen is gelijk aan de in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting genoemde maximale emissiewaarde, zodat het huisvestingsysteem voldoet aan de daaraan in het Besluit huisvesting gestelde eisen. In zoverre heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze huisvestingsystemen overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Dat andere huisvestingssystemen beschikbaar zijn die lagere emissies met zich brengen, betekent niet dat de vergunde huisvestingssystemen niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.8.3. Ten aanzien van het huisvestingssysteem voor de vergunde dekberen, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste en derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten, in samenhang bezien met tabel 2 van de bijlage bij deze regeling, moet het college bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houden met de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (hierna: de Oplegnotitie).

In paragraaf 5.3.1 van de Oplegnotitie is, voor zover hier van belang, vermeld dat voor diercategorieën waarvoor het BREF-document Intensieve pluimvee- en varkenshouderij geen technieken bevat en bijlage 1 van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) geen maximale emissiewaarden geeft, onvoldoende alternatieven beschikbaar zijn en dat geen enkel huisvestingsysteem kan worden uitgesloten van de beste beschikbare technieken. Hieruit volgt dat elk huisvestingsysteem voor de hiervoor bedoelde diercategorieën moet worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek.

Het voornoemde BREF-document heeft geen betrekking op het houden van dekberen en in bijlage 1 van het Besluit huisvesting is voor deze diercategorie geen maximale emissiewaarde gesteld. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de vergunde dekberen worden gehouden in huisvestingssystemen die kunnen worden aangemerkt als de voor deze diercategorie in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Dat andere huisvestingssystemen beschikbaar zijn die lagere emissies met zich brengen, betekent niet dat de vergunde huisvestingssystemen niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.9. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 C];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 C] en [appellant sub 2 A en appellant sub 2 B];

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

492.