Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200905745/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) aan [wederpartij] medegedeeld dat hij voornemens is het verzoek van [appellante] om de geslachtsnaam van hun beider [zoon] te veranderen van "[wederpartij]" in "[appellante]", in te willigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200905745/1/H3.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Barendrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2009 in zaak nr. 08/4242 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Barendrecht,

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2008 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) aan [wederpartij] medegedeeld dat hij voornemens is het verzoek van [appellante] om de geslachtsnaam van hun beider [zoon] te veranderen van "[wederpartij]" in "[appellante]", in te willigen.

Bij besluit van 1 september 2008 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2009, verzonden op 1 juli 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2008 vernietigd, het besluit van 15 april 2008 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat het verzoek van 28 december 2007 van [appellante] tot wijziging van de geslachtsnaam van [zoon] wordt afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2009.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S.L. de Koning, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, Dienst Justis, is verschenen. Voorts is [wederpartij] als derde-belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge het tweede lid is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, wordt het verzoek afgewezen indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

2.2. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de uitzondering als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, van het Besluit. Hiertoe dient te worden vastgesteld of [wederpartij] en [zoon] tussen [zoons] geboorte op 28 juni 2002 en 28 december 2002 (hierna: de betreffende periode) meer dan 45 dagen in gezinsverband hebben samengeleefd.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2007 in zaak nr. 200602640/1, overwogen dat de minister voor beantwoording van de vraag of [wederpartij] in gezinsverband met [zoon] heeft samengeleefd, in beginsel mag uitgaan van de in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) opgenomen informatie, behoudens tegenbewijs. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel vaststaat dat hij nooit op hetzelfde adres als [appellante] en [zoon] in de GBA ingeschreven heeft gestaan, [wederpartij] door middel van door hem overgelegde stukken en vier ter zitting afgelegde getuigenverklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat hij in ieder geval vanaf de geboorte van [zoon] tot diens eerste verjaardag met hem in gezinsverband heeft samengeleefd. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door [wederpartij] overgelegde stukken en de vier getuigenverklaringen niet op waarheid zijn gebaseerd. Volgens [appellante] heeft [wederpartij] haar en [zoon] een week na de geboorte van [zoon] verlaten en sindsdien niet meer in gezinsverband met hen samengeleefd. Dit heeft volgens [appellante] geleid tot lichamelijke en geestelijke klachten bij haar, als gevolg waarvan zij genoodzaakt was haar baan op te zeggen en een bijstandsuitkering aan te vragen.

2.4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor beantwoording van de vraag of betrokkenen in gezinsverband hebben samengeleefd, in beginsel mag worden uitgegaan van de in de GBA opgenomen informatie. Nu vaststaat dat [wederpartij] nimmer als samenwonend met [appellante] en [zoon] in de GBA ingeschreven heeft gestaan, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan [wederpartij] was om de door hem gestelde samenleving desondanks aannemelijk te maken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200704069/1">200704069/1</a>), wordt onder gezin verstaan "het samenwonen van twee of meer personen". Voor samenleven in gezinsverband als bedoeld in het Besluit, is het derhalve noodzakelijk dat [wederpartij] in de betreffende periode daadwerkelijk meer dan 45 dagen heeft samengewoond met[zoon]. De door [wederpartij] in beroep overgelegde stukken, waaronder een groot aantal foto's, duiden weliswaar op een gezinsleven, maar vormen op zichzelf onvoldoende bewijs voor de door hem gestelde daadwerkelijke samenwoning.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan op grond van de ter zitting bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen, in samenhang bezien met de door [wederpartij] overgelegde stukken, evenmin worden aangenomen dat in de betreffende periode is gebleken van samenwoning. Met uitzondering van de moeder van [wederpartij], hebben de getuigen geen gedetailleerde verklaring over de betreffende periode afgelegd. Bovendien verschillen de getuigenverklaringen zowel onderling als met de eigen verklaring van [wederpartij] over de datum waarop de samenwoning is beëindigd. De getuigen hebben verklaard dat [wederpartij] en [appellante] van 2000 tot medio 2004, onderscheidenlijk van 2001 tot en met 2004, van 2000 tot januari 2004 dan wel vanaf de geboorte van [zoon] tot en met 2005 hebben samengewoond, terwijl [wederpartij] zelf heeft verklaard dat hij in 2000/2001 met [appellante] is gaan samenwonen en dat de samenwoning heeft geduurd tot eind 2004/begin 2005. Daarnaast is de ter zitting bij de rechtbank afgelegde verklaring van de zus van [wederpartij] tegenstrijdig aan de eerder door haar overgelegde schriftelijke verklaring over het tijdstip waarop zij de woning van [wederpartij] zou zijn gaan bewonen.

Nu geen van de getuigen specifiek of gedetailleerd heeft verklaard over de periode bedoeld in rechtsoverweging 2.2. moet worden getwijfeld aan de bewijskracht van de verklaringen. Gelet hierop en met inachtneming van het als objectief te beschouwen gegeven dat [wederpartij] niet op hetzelfde adres als [zoon] stond ingeschreven en in die periode de beschikking had over een eigen woning, heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat hij in de betreffende periode meer dan 45 dagen met [zoon] in gezinsverband heeft samengeleefd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellante] dat het in het belang van [zoon] is dat zijn geslachtsnaam in "[appellante]" wordt veranderd en dat [zoon] dat zelf ook wenst, geen bespreking meer.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 1 september 2008 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

2.8. 3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2009 in zaak nr. 08/4242;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

97-611.