Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200904132/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aan [appellanten] op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken verleende subsidie vastgesteld op € 107.403,60 voor beëindiging van de varkenstak, op € 262.535,25 voor beëindiging van de varkenstak en op nihil voor de sloop van bedrijfsgebouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904132/1/H3.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 april 2009 in zaak nr. 08/5235 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aan [appellanten] op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken verleende subsidie vastgesteld op € 107.403,60 voor beëindiging van de varkenstak, op € 262.535,25 voor beëindiging van de varkenstak en op nihil voor de sloop van bedrijfsgebouwen.

Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.M. Bakker Schut, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt. Daartoe voeren zij aan dat niet aannemelijk is dat het besluit van 16 april 2003 op die datum op de voorgeschreven wijze aan hen is bekendgemaakt, aangezien het besluit niet aangetekend is verzonden en de minister geen verzendadministratie heeft overgelegd. Verder voeren zij aan dat zij, nadat zij in 2007 het besluit toegezonden hebben gekregen, binnen een redelijke termijn bezwaar hebben gemaakt.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 april 2004 in zaak nr. 200402504/1; AB 2005, 413) dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het besluit van 16 april 2003 is niet aangetekend verzonden. De minister heeft geen verzendadministratie of andere objectieve gegevens overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 16 april 2003 daadwerkelijk op dezelfde dag is verzonden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen reden is om er aan te twijfelen dat het besluit op 16 april 2003 aan [appellanten] is verzonden. Het besluit is dan ook niet op die dag bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Dat in latere aan [appellanten] gerichte en van de minister afkomstige brieven verwezen wordt naar het besluit van 16 april 2003, en dat zij naar aanleiding van die brieven niet hebben gesteld dat zij dat besluit niet of niet tijdig hadden ontvangen, maakt dit niet anders.

2.2.2. In 2007 hebben [appellanten] verscheidene op de beëindiging van hun agrarisch bedrijf betrekking hebbende stukken opgevraagd bij de minister. Bij de daarna door de minister toegezonden stukken, bevond zich ook het besluit van 16 april 2003. Deze toezending dient als bekendmaking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in 2007 is aangevangen. Het bezwaarschrift is echter eerst op 7 oktober 2008, en derhalve niet binnen de wettelijke termijn van zes weken, ingediend. Dat [appellanten] het besluit eerst lange tijd na het nemen ervan hebben ontvangen en dat zij na de ontvangst van het besluit tijd nodig hadden om advies in te winnen, zijn geen omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat zij niet in verzuim zijn geweest. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

312-640.