Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200903845/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 9.500,00 opgelegd wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903845/1/V6.

Datum uitspraak: 20 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 april 2009 in zaak nr. 08/5571 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Beheer B.V.

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 9.500,00 opgelegd wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 30 juni 2008 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 april 2009, verzonden op 16 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 3 december 2009 heeft de minister een nader stuk ingezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.H. Steensma, advocaat te Rotterdam, vergezeld door haar [directeur], en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav op € 1.500,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het op ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) opgemaakte boeterapport van 29 november 2007 (hierna: het boeterapport) houdt in dat een vreemdeling van Nigeriaanse nationaliteit (hierna: de vreemdeling) op 15 oktober 2007 voor [kaashandel], werkzaamheden, bestaande uit het schoonmaken van kazen, heeft verricht, zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning is afgegeven. Volgens het boeterapport was de vreemdeling via [appellante] aan de kaashandel ingeleend. In het boeterapport staat dat de vreemdeling zich ten overstaan van de inspecteurs niet kon legitimeren aan de hand van een origineel identiteitsdocument, maar een Frans document toonde wat later een Franse asiel- dan wel verblijfsaanvraag bleek te zijn. In het boeterapport staat voorts dat in het personeelsdossier van de vreemdeling in de administratie van de kaashandel een kopie van een Portugees paspoort (hierna: het paspoort) was opgenomen, waarvan de inspecteurs zagen dat het lettertype niet overeenkwam met de daarvoor geldende standaard van een Portugees identiteitsdocument. Het boeterapport vermeldt ten slotte dat uit onderzoek van de Koninklijke marechaussee is gebleken dat het paspoort vals is, aangezien de invulling hiervan afwijkt van de wijze waarop de autoriteiten van Portugal dit model paspoort voorzien van persoons- en afgiftegegevens, het paspoort een kenmerkende spelfout bevat - op pagina 2 van het paspoort is bij de tekst "Given names(s)" een vaste "s" geplaatst waar deze daar niet behoort te staan - en het paspoortnummer nimmer door de autoriteiten van Portugal werd toegekend aan dit model paspoort.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid of een beperkte mate van verwijtbaarheid van [appellante]. [appellante] betoogt hiertoe dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [appellante] twijfel had moeten hebben bij de authenticiteit van het paspoort. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte nagelaten de aard van de onregelmatigheden in het paspoort af te zetten tegen de mate van verwijtbaarheid van [appellante]. Ten slotte is de rechtbank, door te overwegen dat de onregelmatigheden in het paspoort met behulp van een handboek met echtheidskenmerken van identiteitsdocumenten zouden zijn opgevallen, buiten de omvang van het geschil getreden, aldus [appellante].

2.3.1. In de bij het boeterapport behorende verklaring van de directeur van [appellante] staat dat de identiteit van de vreemdeling bij zijn indiensttreding door [appellante] aan de hand van het originele paspoort is vastgesteld en dat het paspoort ook is gecontroleerd met een apparaat, de retrochecker, dat [appellante] in de onderneming heeft staan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de in 2.2 weergegeven onregelmatigheden in het paspoort van dien aard dat ook een persoon die geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van documentenherkenning deze, indien het paspoort op een grondige wijze op geldigheidsduur, tekstfouten en uiterlijke kenmerken is gecontroleerd, hadden moeten opvallen. Hierbij heeft de rechtbank terecht met name gewezen op de kenmerkende spelfout op pagina 2 van het paspoort. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen had [appellante] derhalve bij grondige controle van het paspoort tot de conclusie moeten komen dat dit vals is, althans dat gerede twijfel bestaat aan de authenticiteit hiervan, waarna het op haar weg had gelegen nader onderzoek hiernaar te doen instellen. Anders dan [appellante] betoogt, bestaat reeds hierom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel een beperkte mate van verwijtbaarheid, van [appellante].

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat door de Belastingdienst en de SNS bank de valse identiteit van de vreemdeling niet is ontdekt, evenmin leidt tot het oordeel dat sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel een beperkte mate van verwijtbaarheid, van [appellante]. [appellante] betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat wanneer banken en overheidsinstanties bij de controle van de echtheid van persoonsgegevens de onregelmatigheden in het paspoort onopgemerkt laten, de omstandigheid dat [appellante] de onregelmatigheden ook niet heeft opgemerkt niet tot de vaststelling van volledige verwijtbaarheid mag leiden.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in het kader van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. [appellante] mocht niet uitgaan van de veronderstelling dat door de SNS bank, dan wel de Belastingdienst bij afgifte van het sofinummer, de echtheid van het paspoort is gecontroleerd, maar diende dit zelf bij aanvang van de werkzaamheden van de vreemdeling te controleren. De omstandigheid dat de onregelmatigheden in het paspoort door de SNS bank en de Belastingdienst niet zijn onderkend, leidt derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet tot het oordeel dat het [appellante] niet volledig valt aan te rekenen dat zij de onregelmatigheden niet heeft opgemerkt.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld, nu zij aan de kaashandel geen kopie van een geldig identiteitsbewijs heeft verstrekt, maar een kopie van een vals paspoort. [appellante] betoogt hiertoe dat, samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat indien sprake is van een vals identiteitsdocument artikel 15, eerste lid, van de Wav toepassing mist, aangezien in een dergelijk geval aan de vaststelling van de identiteit van de vreemdeling door de feitelijk werkgever, zoals bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wav niet meer wordt toegekomen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200807808/1/V6">200807808/1/V6</a>) volgt uit artikel 19a, tweede lid, van de Wav, dat zowel voor overtreding van artikel 2, eerste lid, als voor overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav een boete kan worden opgelegd, aangezien deze bepalingen betrekking hebben op twee afzonderlijk beboetbare gedragingen. Vaststaat dat [appellante] artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft overtreden, nu zij door het paspoort niet behoorlijk te controleren het risico heeft genomen dat zij een kopie van een vals, dan wel vervalst document aan de kaashandel verstrekte. [appellante] is aldus tekortgeschoten in de op haar rustende wettelijke verplichting. Anders dan [appellante] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

523.