Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
200904310/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 23 juni 2009 in zaak nr. 200808088/1/V1, www.raadvanstate.nl) ten aanzien van artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 overwogen dat, nu in dat artikel wordt verwezen naar artikel 21 van de Wet werk en bijstand en aldaar een normbedrag per maand is gesteld, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wetsuitleg van de minister dat maandelijks dat normbedrag moet zijn verworven niet als redelijk kan worden aangemerkt. Nu in artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 wordt verwezen naar artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm en in dat artikel eveneens wordt uitgegaan van een normbedrag per maand, bestaat, gelet op de overwegingen in voormelde uitspraak, evenmin aanleiding voor het oordeel dat de in 2.1. weergegeven wetsuitleg van de minister niet als redelijk kan worden aangemerkt.

Aangezien de inkomensbron van een zelfstandige naar zijn aard verschilt van de inkomensbron van een persoon in loondienst, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat door het toepassen van verschillende inkomenstoetsen een ongeoorloofd onderscheid tussen personen in loondienst en zelfstandigen wordt gemaakt.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 21
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 8
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.22
Vreemdelingenbesluit 2000 3.74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/75

Uitspraak

200904310/1/V2.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 14 mei 2009 in zaak nr. 08/26330 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2009, verzonden op 18 mei 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitleg die hij aan artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft gegeven - namelijk dat de referent gedurende de in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 genoemde periode van drie jaren maandelijks een inkomen ter hoogte van het toepasselijke normbedrag als genoemd in voormeld artikel, zijnde 120% van het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wmm) genoemde minimumloon, dient te hebben verworven - niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt.

2.1.1. De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 23 juni 2009 in zaak nr. 200808088/1/V1, www.raadvanstate.nl) ten aanzien van artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 overwogen dat, nu in dat artikel wordt verwezen naar artikel 21 van de Wet werk en bijstand en aldaar een normbedrag per maand is gesteld, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wetsuitleg van de minister dat maandelijks dat normbedrag moet zijn verworven niet als redelijk kan worden aangemerkt. Nu in artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 wordt verwezen naar artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm en in dat artikel eveneens wordt uitgegaan van een normbedrag per maand, bestaat, gelet op de overwegingen in voormelde uitspraak, evenmin aanleiding voor het oordeel dat de in 2.1. weergegeven wetsuitleg van de minister niet als redelijk kan worden aangemerkt. De grief slaagt derhalve.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 11 juli 2008 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de in artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 gestelde norm van 120% van het minimumloon in strijd is met Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

2.3.1. Ook indien moet worden aangenomen dat dit betoog terecht is voorgedragen, kan het niet tot het ermee beoogde doel leiden, omdat niet is gebleken dat het inkomen van de referent, bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, voldoet aan de in artikel 3.74, aanhef en onder a, en artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 neergelegde inkomensnorm.

2.4. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat met betrekking tot het middelenvereiste sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen personen in loondienst en zelfstandigen, nu de middelen van personen behorend tot deze laatste categorie worden beoordeeld over een kortere periode en zij bovendien niet iedere maand, doch slechts gemiddeld aan het gestelde normbedrag dienen te voldoen.

2.4.1. Aangezien de inkomensbron van een zelfstandige naar zijn aard verschilt van de inkomensbron van een persoon in loondienst, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat door het toepassen van verschillende inkomenstoetsen een ongeoorloofd onderscheid tussen personen in loondienst en zelfstandigen wordt gemaakt.

2.5. Tevens heeft de vreemdeling betoogd dat de minister met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) had dienen af te wijken van de uit paragraaf B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 voortvloeiende middelentoets, bedoeld in 2.1.1., waarbij iedere maand het gestelde normbedrag dient te zijn verworven en in dit geval de gemiddelde inkomsten per maand van de referent had dienen te beoordelen. Daartoe betoogt hij dat de referent over een periode van drie jaren een gemiddeld maandelijks inkomen heeft verworven dat boven het in artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 bedoelde normbedrag ligt. Voorts wijst hij er op dat de referent in voormelde periode van drie jaren nimmer een beroep op openbare middelen heeft gedaan, dat hij na zijn komst naar Nederland direct zal kunnen werken en dat hij en de referent, gelet op de hoogte van hun inkomsten, niet, dan wel zeer zelden een beroep op openbare middelen zullen hoeven doen.

2.5.1. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb kan slechts sprake zijn indien het gaat om omstandigheden die niet reeds in de beleidsregels zijn verdisconteerd. Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. Nu het beleid en de daaruit voortvloeiende inkomenstoets er juist op gericht zijn te garanderen dat in individuele gevallen is uitgesloten dat een beroep wordt gedaan op uit algemene middelen gefinancierde inkomensafhankelijke regelingen, moet de als bijzonder aangevoerde omstandigheid dat gemiddeld wel is voldaan aan het normbedrag en dat de referent nimmer een beroep op openbare middelen heeft gedaan worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en kan deze omstandigheid niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb worden aangemerkt. De stelling dat de vreemdeling na zijn komst naar Nederland direct zal kunnen gaan werken en dat referent en vreemdeling daarom zeer waarschijnlijk geen beroep op openbare middelen zullen hoeven doen, is niet met concrete informatie gestaafd. De minister heeft dan ook terecht geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 van de Awb.

2.6. Het betoog van de vreemdeling dat in het besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met alle inkomensbestanddelen waarover de referent beschikt is niet nader onderbouwd, en kan reeds daarom niet afdoen aan het standpunt van de minister in het besluit van 11 juli 2008.

2.7. Het betoog dat sprake is van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de minister er in zijn belangenafweging aan voorbij is gegaan dat zowel hijzelf als de referent werkzaam zijn in een sector waarin sprake is van een groot tekort aan personeel, is evenmin nader onderbouwd en kan reeds daarom evenmin afdoen aan het standpunt van de minister in het besluit van 11 juli 2008.

2.8. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 14 mei 2009 in zaak nr. 08/26330;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010

91-574.

Verzonden: 6 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser