Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200900854/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JN 2010/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900854/1/V6.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 18 december 2008 in zaak nr. 08/98 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 10 december 2007, heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2008, verzonden op 22 december 2008, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 februari 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt in de RWN en de daarop rustende bepalingen onder toelating verstaan instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans belang, geldt het eerste lid, onder c, niet met betrekking tot de verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap heeft bezeten.

Ingevolge artikel 10, voor zover thans van belang, kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, voor zover thans van belang, kan een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.

Ingevolge artikel 19 is aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van artikel 17, elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht heeft vastgesteld dat zij niet aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN neergelegde vereiste voldoet. Daartoe voert zij aan dat de omstandigheid dat de Nederlandse ambassade te Warschau (Polen) (hierna: de ambassade), haar twee keer een Nederlands nationaal paspoort heeft verstrekt, tot gevolg heeft dat zij aan voormeld vereiste heeft voldaan.

2.2.1. De ambassade heeft [appellante] op 7 juni 1996 onderscheidenlijk 21 mei 2001, naar later bleek ten onrechte, een Nederlands nationaal paspoort verstrekt. Deze omstandigheid heeft niet tot gevolg dat [appellante] op grond hiervan sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek van 19 februari 2004 in Nederland is toegelaten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Van toelating in de zin van voormelde artikelen is volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) sprake, indien verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de minister terecht heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN neergelegde vereiste inzake toelating en hoofdverblijf.

Het betoog faalt.

2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 juli 2007 in zaak nr. 231730 (hierna: de beschikking), volgt dat [appellante] niet het Nederlanderschap heeft bezeten, zodat artikel 8, tweede lid, van de RWN niet van toepassing is. Volgens haar had de rechtbank zelf moeten beoordelen of [appellante] de Nederlandse nationaliteit heeft, dan wel heeft gehad.

2.3.1. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij de beschikking op grond van artikel 17, eerste lid, van de RWN vastgesteld dat [appellante] de Nederlandse nationaliteit niet bezit. Gelet op artikel 19 van de RWN was de minister bij de beoordeling van het naturalisatieverzoek in bezwaar aan deze toen onherroepelijk geworden beschikking gebonden. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de beschikking volgt dat [appellante] niet het Nederlanderschap heeft bezeten, zodat artikel 8, tweede lid, van de RWN niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het twee keer ten onrechte verstrekken van een Nederlands nationaal paspoort niet op een dusdanig ernstig ambtelijk verzuim berust dat dit tot toepassing van artikel 10 van de RWN noopt. Daartoe voert zij primair aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Handleiding niet vereist dat het ambtelijk verzuim ernstig dient te zijn wil toepassing van artikel 10 van de RWN in de rede liggen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat het ambtelijk verzuim, gelet op de gevolgen en gezien het feit dat het twee keer heeft plaatsgevonden, ernstig was. Volgens haar had de ambassade, ingeval de destijds door [appellante] overgelegde stukken onvoldoende informatie bevatten, een afschrift van de geboorteakte dienen op te vragen.

2.4.1. Voor het oordeel dat de Handleiding niet vereist dat het ambtelijk verzuim ernstig dient te zijn wil toepassing van artikel 10 van de RWN in de rede liggen, bestaat geen grond. In de Handleiding is vermeld dat als uitgangspunt geldt dat er sprake moet zijn van een zeer bijzonder geval. Uitzonderingen zijn volgens de Handleiding alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen, zoals in een geval van ernstig ambtelijk verzuim.

2.4.2. De minister heeft, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.

Tussen partijen staat vast dat de ambassade [appellante] twee keer een Nederlands nationaal paspoort heeft verstrekt op basis van een door [appellante] overgelegd verkort uittreksel uit het geboorteregister, waarop de Nederlandse adoptievader als vader is vermeld, en een door haar overgelegde huwelijksakte betreffende deze adoptievader en de moeder van [appellante]. Uit deze gegevens kon niet worden afgeleid dat [appellante] geadopteerd was. Voorts staat vast dat [appellante] bij de paspoortaanvragen de adoptie evenmin anderszins kenbaar heeft gemaakt. Zij was hiertoe op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wel gehouden. Of daarnaast de ambassade [appellante] om overlegging van (een afschrift van) haar geboorteakte, waarop de adoptie op 20 maart 1995 is aangetekend, had dienen te verzoeken, kan in het midden blijven. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nalaten van zodanig onderzoek, in het licht van de door [appellante] overgelegde stukken en het feit dat [appellante] de adoptie bij de aanvragen niet anderszins kenbaar heeft gemaakt, geen ernstig ambtelijk verzuim in de zin van de Handleiding is. Dat de ambassade twee keer ten onrechte een Nederlands nationaal paspoort heeft verstrekt maakt dit, om dezelfde redenen, niet anders. Voorts heeft [appellante] niet toegelicht welke gevolgen het ambtelijk verzuim voor haar heeft gehad, zodat deze reeds daarom niet bij de beoordeling van de ernst van het verzuim konden worden betrokken.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het twee keer ten onrechte verstrekken van een Nederlands nationaal paspoort niet op een dusdanig ernstig ambtelijk verzuim berust dat dit tot toepassing van artikel 10 van de RWN noopt.

Het betoog faalt.

2.4.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

164-485.