Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200901959/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Doetinchem (hierna: de raad) bij besluit van 10 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2000, herziening 2002 5e herziening, Klootsemastraat/Christoffelstraat" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901959/1/R2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Doetinchem (hierna: de raad) bij besluit van 10 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2000, herziening 2002 5e herziening, Klootsemastraat/Christoffelstraat" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2009, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2009, waar [appellant A] en anderen en [appellant D], vertegenwoordigd door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. [appellant D] woont op een afstand van ongeveer 580 meter van het plangebied. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, is deze afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen. De omstandigheid dat [appellant D] geregeld gebruik maakt van de weg die langs het plangebied loopt, is niet voldoende om desondanks een objectief en persoonlijk belang aanwezig te achten dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit.

De conclusie is dat [appellant D] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant D] is niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in een natuurontwikkelingsproject en de vestiging van het [circusbedrijf] op een terrein tussen de Kruisbergseweg (N316) en de Klootsemastraat, nabij de Christoffelstraat.

2.4. Het beroep van [appellant A] en anderen richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijven", met de aanduiding 'circusbedrijf', dat betrekking heeft op de noordelijke strook van het terrein. [appellant A] en anderen betogen dat het circusbedrijf direct in het zicht ligt, langs een doorgaande weg. De door het gemeentebestuur aangeplante houtsingel zal het uitzicht op de woonwagenstandplaats slechts beperkt belemmeren, aldus [appellant A] en anderen. Zij betogen voorts dat niet wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan bouwwerkzaamheden in een waardevol natuurgebied, waarin het terrein is gelegen, en aan het instandhouden van een dergelijk gebied. In dit verband veronderstellen zij dat niet wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de toegestane geluidsbelasting op de woonwagens. Voorts stellen [appellant A] en anderen zich op het standpunt dat geen sprake is van een tijdelijke vestigingslocatie van het circusbedrijf.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat verplaatsing van het circusbedrijf noodzakelijk is voor de voltooiing van de Groene Wig - de groene hoofdstructuur van de woonwijk Dichteren - op de huidige locatie. Het perceel waarop de vestiging van het circusbedrijf is voorzien, is in het streekplan Gelderland 2005 aangeduid als 'Multifunctioneel gebied' en 'Waardevol landschap', en valt buiten de Ecologische Hoofdstructuur, aldus het college. Met de raad acht het college de inpassing van de locatie in het waardevolle landschap voldoende gewaarborgd.

2.6. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de vestiging van het bedrijf op het perceel direct in het zicht ligt langs een doorgaande weg, heeft de raad voldoende toegelicht dat de Horstweg-Klootsemastraat een ondergeschikte, lokale invalsweg is vergeleken met de regionale Kruisbergseweg of de Keppelseweg. Van een zichtlocatie aan een drukke invalsweg is derhalve geen sprake.

Voorts volgt uit de plantoelichting dat het perceel zodanig met groenstructuren zal worden ingericht dat het effect van het circusbedrijf op het buitengebied - mede gelet op de omstandigheid dat aan zowel de zuidzijde als de noordoostzijde een natuurterrein zal worden ontwikkeld - beperkt zal zijn. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat deze groenstructuren reeds twee jaar geleden zijn aangeplant. Voorts staan de planvoorschriften ten hoogste zes woonwagens toe op uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak en is de bouwhoogte van een gebouw voor de opslag van circusmateriaal en voor huisvesting van vee in het plan vastgelegd op ten hoogste 6,50 meter. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de groenstructuren momenteel nog niet een dusdanige hoogte hebben bereikt dat hierdoor het uitzicht op het circusbedrijf wordt belemmerd, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het standpunt van het college dat de inpassing van de locatie in het waardevolle landschap voldoende is gewaarborgd, is dan ook niet onredelijk.

Ten aanzien van het betoog dat niet wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan bouwwerkzaamheden in een waardevol natuurgebied, heeft het college voldoende toegelicht dat het perceel buiten de Ecologische Hoofdstructuur ligt en dat het streekplanbeleid deze vestiging ter plaatse toestaat. [appellant A] en anderen hebben dit standpunt niet bestreden.

2.7. Voor zover [appellant A] en anderen met hun - niet nader gemotiveerde - veronderstelling in het beroepschrift dat sprake is van een te hoge geluidsbelasting voor woonwagens hebben beoogd te betogen dat om die reden goedkeuring had moeten worden onthouden aan het plan, faalt ook dat betoog. Uit het geluidsonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt, volgt dat voor het terrein waarop de bouw van de woonwagens is voorzien de geluidsbelasting vanwege de nabij liggende wegen ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ligt. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geluidsonderzoek op dit punt onjuiste informatie geeft.

2.8. De stelling van [appellant A] en anderen dat het plan niet voorziet in een tijdelijke bestemming is juist, maar kan niet leiden tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring. Het plan voorziet - voor zover thans van belang - in de vestiging van een circusbedrijf op het aangegeven perceel en biedt in artikel 2 van de planvoorschriften het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemming "Bedrijven - circusbedrijf" voor de gronden als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften te wijzigen in de bestemming "Natuurgebied" als bedoeld in artikel 8 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" van de gemeente Doetinchem. Deze planregeling is niet in strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening en is blijkens het raadsbesluit tot vaststelling van het plan uitdrukkelijk zo bedoeld.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant D] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en anderen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

291-618.