Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200903445/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Asten (hierna: het college) aan [appellant] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een geitenhouderij aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Dit besluit is op 3 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/492
JOM 2010/189
Milieurecht Totaal 2010/3218

Uitspraak

200903445/1/M2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Asten

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Asten (hierna: het college) aan [appellant] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een geitenhouderij aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Dit besluit is op 3 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2009 waar [appellant], vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, werkzaam bij de Zuidelijke Land- Tuinbouworganisatie en het college, vertegenwoordigd door drs. E.F.T. Smets-Wolters en R. Wijma, beiden werkzaam bij

SRE Milieudienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat de oprichting van de geitenhouderij in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Asten 1998, herziening 2003" (hierna: het bestemmingsplan) en deze strijdigheid niet kan worden opgeheven door het verlenen van vrijstelling.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij wet van 25 juni 2009, Stb. 297, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.3. Als onbestreden moet worden aangenomen dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het bestemmingsplan gold. Ingevolge het bestemmingsplan rustte op het perceel de gebiedsbestemming: "agrarisch gebied" en de detailbestemming "agrarisch bedrijven".

Ingevolge artikel 2.1.B, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mag op de tot "agrarische bedrijven" bestemde grond, behoudens vrijstelling, niet worden gebouwd voor omschakeling naar intensieve veehouderij.

In artikel 0.3 van de planvoorschriften is een intensieve veehouderij gedefinieerd, voor zover hier van belang, als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend gericht is op het fokken, houden of veredelen van vee, pluimvee en pelsdieren.

Een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is in dit artikel gedefinieerd als een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen of plaatsvindt los van het voortbrengend vermogen van de open grond. Onder een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt, voor zover hier van belang, verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende open grond.

2.4. Niet in geschil is dat indien de geitenhouderij moet worden aangemerkt als een intensieve veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan, oprichting van de geitenhouderij, zonder dat daarvoor vrijstelling is verleend, in strijd is met artikel 2.1.B, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

2.5. [appellant] betoogt dat het college de geitenhouderij ten onrechte heeft aangemerkt als een intensieve veehouderij, zijnde een niet-grondgebonden bedrijf. Hij voert daartoe aan dat hij een optie heeft op de verwerving van 16 ha grond en toezeggingen voor 22 ha grond nabij de inrichting. Met deze grond zou hij voldoende mogelijkheden hebben voor beweiding en grasteelt voor veevoer. [appellant] stelt dat hij hiervan niet eerder melding heeft gemaakt omdat daar in de besluitvormingsprocedure niet naar is gevraagd. Hij stelt verder dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat de stallen geen uitloop hebben. Volgens [appellant] voldoet het bedrijf aan de definitie van grondgebonden bedrijf in het bestemmingsplan.

2.5.1. Vergunning is gevraagd voor het houden van 2.440 geiten, 640 lammeren en 640 opfokgeiten, verdeeld over twee stallen. Op grond van de vergunningaanvraag moet worden aangenomen dat de bedrijfsvoering is gericht op de productie van melk, waarbij de geiten meestentijds op stal staan. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestond geen grond om ervan uit te gaan dat er voldoende mogelijkheid tot beweiding was en evenmin dat zou worden voorzien in eigen geteeld voer. Met mogelijk in de toekomst te verwerven gronden voor beweiding en grasteelt behoefde het college geen rekening te houden reeds omdat deze ontwikkelingen onvoldoende concreet zijn. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen, los van het voortbrengend vermogen van de open grond. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dan ook terecht de geitenhouderij aangemerkt als een intensieve veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] stelt voorts dat, in geval zijn inrichting wordt aangemerkt als een intensieve veehouderij, het verlenen van vrijstelling mogelijk was. Hij wijst er daarbij op dat het gebied waarin het perceel is gelegen, ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag in het reconstructieplan "De Peel" (hierna: het reconstructieplan) was aangemerkt als verwevingsgebied.

2.7. De Afdeling stelt voorop dat een aanvraag om een milieuvergunning moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit op de aanvraag. Daargelaten de status van voornoemd gebied ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag, als onbestreden moet worden aangenomen dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit dit gebied in het reconstructieplan was aangemerkt als extensiveringsgebied. Uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging in een dergelijk gebied is volgens het reconstructieplan niet mogelijk. Verder was het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2008" in procedure, waarin het perceel is bestemd tot "Wonen". In dit plan is niet voorzien in het oprichten van een intensieve veehouderij op het perceel.

Onder deze omstandigheden kon het college bij de beslissing op de aanvraag ervan uitgaan dat het verlenen van vrijstelling, waardoor de strijdigheid met het bestemmingsplan zou worden opgeheven, niet in de rede lag. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat de besluitvorming ruim twee jaar heeft geduurd maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

190-632.