Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200902987/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 9 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beesel (hierna: het college) afwijzend gereageerd op het verzoek van [appellanten] om over te gaan tot feitelijke handhaving met betrekking tot de horeca-inrichting Café Friends te Reuver.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/54 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
Gst. 2010, 21 met annotatie van R.D. Boesveld
JOM 2010/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902987/1/M2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente Beesel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 9 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beesel (hierna: het college) afwijzend gereageerd op het verzoek van [appellanten] om over te gaan tot feitelijke handhaving met betrekking tot de horeca-inrichting Café Friends te Reuver.

Tegen deze brief hebben [appellanten] bij brief van 24 maart 2009 bezwaar gemaakt. Daarbij hebben zij het college verzocht in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het college heeft ingestemd met dat verzoek en bij brief van 17 april 2009 het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de rechtbank Roermond. De rechtbank heeft het ter verdere behandeling doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2009, waar [appellanten] zijn verschenen. Voorts is de eigenaar van Café Friends, [partij], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] hebben bij brief van 19 januari 2009 het college verzocht om over te gaan tot feitelijke handhaving met betrekking tot Café Friends vanwege overtreding van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden in de avond- en nachtperiode van 16 op 17 januari 2009.

2.2. Bij brief van 9 maart 2009 heeft het college hierop afwijzend gereageerd.

2.3. [appellanten] voeren aan dat, nu niet wordt overgegaan tot invordering van de volgens hen in de avond- en nachtperiode van 16 op 17 januari 2009, wegens overtreding van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden, verbeurde dwangsom, feitelijk niet handhavend wordt opgetreden. Dit betekent volgens [appellanten] dat het college de geconstateerde overtredingen gedoogt. Ter zitting hebben [appellanten] gesteld dat hun verzoek erop is gericht dat de gemeente overgaat tot invordering van de door Café Friends verbeurde dwangsom. Zij hebben erop gewezen dat in de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een belanghebbende bevoegd is een bestuursorgaan om een beschikking tot invordering van een dwangsom te verzoeken. Volgens hen had het bestuursorgaan daarop kunnen anticiperen.

2.3.1. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden.

Ingevolge artikel III, eerste lid, van die wet blijft, op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuurorgaan die is vastgesteld of ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing. Nu het verzoek van [appellanten] betrekking heeft op de invordering van een in januari 2009 vermeend verbeurde dwangsom zijn de bij deze wet doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing op het huidige geding.

Voor zover [appellanten] in beroep hebben beoogd aan te voeren dat het college bij het nemen van het bestreden besluit had moeten anticiperen op het in werking treden van voormelde wet van 25 juni 2009 overweegt de Afdeling dat het college bij het nemen van het bestreden besluit terecht toepassing heeft gegeven aan het op dat moment geldende recht.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 17 februari 1998 in zaak nr. E03.97.1507; JB 1998, 75 en 8 april 2009 in zaak nr. 200806380/1/M2) is de beslissing tot niet invorderen van aan het bevoegd gezag toekomende verbeurde dwangsommen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Slechts indien hieruit duidelijk blijkt dat het bestuursorgaan is teruggekomen van een eerder besluit waarbij een last onder dwangsom is opgelegd, kan van een besluit in de voornoemde bepaling worden gesproken. Daarvan is hier geen sprake. De brief van 9 maart 2009 is gelet hierop niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. De Afdeling is onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

431-578.