Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9012

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200904271/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2007 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 75.130,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 61 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904271/1/H3.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], [gemeente],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2009 in zaak nr. 08/6154 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2007 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 75.130,00 opgelegd.

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2009, verzonden op 4 mei 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 9 juli 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Autar en D.J. van Tergouw, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de ten tijde van belang van kracht zijnde verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna: verordening 3821/85), voor zover thans van belang, moeten de bestuurders voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, moet de bestuurder op het registratieblad de volgende gegevens aanbrengen:

(…)

d) kilometerstand:

- vóór de eerste rit die op het blad wordt geregistreerd,

- aan het einde van de laatste rit die op het registratieblad wordt geregistreerd,

- indien van voertuig wordt gewisseld gedurende de werkdag, van de kilometerteller van het gebruikte voertuig en van de kilometerteller van het voertuig dat zal worden gebruikt.

Ingevolge afdeling III (constructie-eisen van het controleapparaat), artikel b (aanwijsinrichtingen), sub 1.1, van Bijlage I van verordening 3821/85, moet de afleeseenheid van de aanwijsinrichting voor de afgelegde afstand 0,1 kilometer zijn, en moeten de cijfers die het aantal hectometers aangeven duidelijk kunnen worden onderscheiden van de cijfers die het aantal hele kilometers aangeven.

Ingevolge dat artikel, sub 1.2, moeten de cijfers van de totaalteller duidelijk leesbaar zijn en een zichtbare hoogte van ten minste 4 millimeter hebben.

Ingevolge die afdeling, artikel f, sub 1, onder a, is de maximaal toelaatbare fout voor aanwijs- en registreerinrichtingen op de proefbank voor de installatie voor de afgelegde afstand 1% meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 kilometer moet bedragen.

Ingevolge dat artikel, sub 2, onder a, is de maximaal toelaatbare fout voor aanwijs- en registreerinrichtingen bij installatie voor de afgelegde afstand 2% meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 kilometer moet bedragen.

Ingevolge dat artikel, sub 3, onder a, is de maximaal toelaatbare fout voor aanwijs- en registreerinrichtingen in gebruik voor de afgelegde afstand 4% meer of minder van de werkelijke afstand die ten minste 1 kilometer moet bedragen.

Ingevolge afdeling IV (registratiebladen), artikel d, van Bijlage I van verordening 3821/85, voor zover thans van belang, moeten de registratiebladen een open ruimte bevatten waarop de bestuurder ten minste de stand van de kilometerteller van de voertuigen waarop de bestuurder tijdens het gebruik van het blad werkt, kan schrijven.

Ingevolge afdeling IV (functionele en construcie-eisen voor tachograafkaarten), artikel 5, van Bijlage I B, voor zover thans van belang, worden voor de toepassing van het punt "gegevensopslag" kilometerstanden met een resolutie van 1 kilometer geregistreerd.

Ingevolge artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw), zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 7:2, derde lid, van de Atw, gelezen in verbinding met het eerste lid van dat artikel, wordt een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 8:1, tweede lid, en 10:5, tweede lid, voor zover het betreft de arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, alsmede arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, genomen namens de minister van Verkeer en Waterstaat.

Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, maakt een toezichthouder, indien hij constateert dat een beboetbaar feit is begaan, daarvan zo spoedig mogelijk een rapport op.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het rapport gedagtekend en vermeldt het in ieder geval de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichting rust tot naleving van het beboetbare wettelijke voorschrift.

Ingevolge artikel 10:5, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, legt voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft een daartoe door de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen aangewezen ambtenaar de boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv), zoals dat luidde ten tijde van belang, is het de werkgever, de werknemer en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de Atw, verboden in of op controlemiddelen onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen te stellen, te doen stellen, of toe te laten dat zij daarin of daarop gesteld worden.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, levert het niet naleven van artikel 2.4:4 een beboetbaar feit op.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 september 2007 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 75.130,00, onder meer omdat bestuurders niet de door de kilometerteller aangegeven kilometerstand op de registratiebladen hebben vermeld. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de aan [appellante] opgelegde boetes in verband met de door de [bestuurders] bij de vermelding van de kilometerstand gehanteerde afrondingen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat verordening 3821/85 geen grond biedt voor haar standpunt dat bestuurders een afwijkende kilometerstand mogen aanbrengen op de registratiebladen vanwege het bepaalde in Bijlage I bij die verordening. De bepalingen van die bijlage bevatten volgens [appellante] slechts vereisten voor het controleapparaat, ook wel de tachograaf, en de registratiebladen, ook wel de tachograafschijf, en geen verplichtingen voor de bestuurder of werkgever. Slechts artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder d, van verordening 3821/85 verplicht de bestuurder tot het registreren van de kilometerstand, maar uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat daarbij afronding op hele kilometers niet is toegestaan, aldus [appellante]. Voorts volgt volgens haar uit afdeling IV, artikel 5, van Bijlage I B van verordening 3821/85 dat wel degelijk mag worden afgerond, nu in die bepaling de eis wordt gesteld dat kilometerstanden met een resolutie van 1 kilometer worden geregistreerd. Bovendien is de rechtbank voorbij gegaan aan haar betoog dat, nu het controleapparaat ingevolge het bepaalde in afdeling III, artikel f, sub 1, 2 en 3, van Bijlage I van verordening 3821/85 een procentuele afwijking mag hebben, kleine verschillen als gevolg van het afronden gerechtvaardigd zijn, aldus [appellante].

2.3.1. Dit betoog faalt. [appellante] betoogt terecht dat de bepalingen van Bijlage I van verordening 3821/85 vereisten bevatten waaraan het controleblad en de registratiebladen moeten voldoen. Dit doet er evenwel niet aan af dat artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder d, van verordening 3821/85 een kenbare verplichting aan bestuurders oplegt om de kilometerstand voor aanvang van de eerste rit en na afloop van de laatste rit te registreren en dat het artikel voorts geen bepalingen met betrekking tot het afronden van de kilometerstand bij het registreren ervan bevat. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat het artikel ruimte laat voor het op het registratieblad aanbrengen van een andere dan de weergegeven kilometerstand. Niet in geschil is dat hierbij op hele kilometers mag worden afgerond. De minister heeft [appellante] echter geen boete opgelegd voor het afronden op hele kilometers, maar voor verschillen tussen de op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het door het controleapparaat geregistreerde aantal afgelegde kilometers van meerdere kilometers. Ook het betoog dat ingevolge het bepaalde in afdeling III, artikel f, sub 1, 2 en 3, van Bijlage I van verordening 3821/85 het controleapparaat een procentuele afwijking mag hebben, en dat ingevolge het bepaalde in afdeling IV, artikel 5, van Bijlage I B van die verordening kilometerstanden met een resolutie van 1 kilometer worden geregistreerd, en dat daarom afronding zou zijn toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel, nu die bepalingen slechts vereisten bevatten waaraan het controleapparaat en de digitale registratiekaarten moeten voldoen. Die bepalingen bieden geen grond voor het oordeel dat het bestuurders zou zijn toegestaan om bij het vermelden op het registratieblad van de kilometerstand, deze af te ronden op een veelvoud van vijf kilometer.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank haar ten onrechte niet heeft gevolgd in haar betoog dat het voorlopig handhavingsbeleid als verwoord in de brief van de inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat van 7 september 2007 ook in dit geval zou moeten worden toegepast. Volgens [appellante] was de kern van haar betoog dat er, in de lijn van deze tolerantieregeling, ruimte voor redelijkheid en nuance dient te zijn. Dit betoog heeft de rechtbank ten onrechte ongemotiveerd gepasseerd. Ter zitting heeft [appellante] hieraan toegevoegd dat bij snelheidsovertredingen bij het bepalen van de snelheid een correctie naar beneden plaatsvindt, en dat tijdens het gebruik de uitgangspunten die golden toen het controleapparaat werd geijkt, wijzigen, onder meer vanwege slijtage van de banden. Om die reden zouden kleine verschillen tussen de door de bestuurder op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal daadwerkelijk gereden kilometers niet in redelijkheid door de minister kunnen worden beboet, aldus [appellante].

2.4.1. Dit betoog faalt. Volgens de brief van 7 september 2007 ligt aan het voorlopig handhavingsbeleid ten grondslag dat de wijze waarop de rijtijd door een digitaal controleapparaat wordt geregistreerd, wegens afwijkingen tussen de geregistreerde en de daadwerkelijk gereden afstand, nadelig kan uitwerken voor bestuurders. In de brief is geen grond te vinden voor het standpunt dat het voorlopig handhavingsbeleid toepassing kan vinden in een geval waarin bestuurders op registratiebladen onjuiste gegevens hebben aangebracht. De minister mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat van een tolerantie ten aanzien van het stellen van onjuiste aantekeningen geen sprake is.

De minister heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat tijdens het gebruik de weergave van de kilometerstand door de kilometerteller en de registratie op het registratieblad door een niet-digitaal controleapparaat van het aantal daadwerkelijk gereden kilometers niet van elkaar afwijken. Verder is in deze zaak, anders dan bij snelheidsovertredingen, de nauwkeurigheid van de meetapparatuur niet van invloed op de overtreding. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat, omdat bij snelheidsovertredingen bij het bepalen van de snelheid een correctie naar beneden plaatsvindt, de minister niet in redelijkheid een boete zou kunnen opleggen voor kleine verschillen tussen de door de bestuurder op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal daadwerkelijk gereden kilometers. De stelling dat tijdens het gebruik de uitgangspunten die golden toen het controleapparaat werd geijkt, wijzigen, kan niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat daaromtrent geen enkele duidelijkheid bestaat.

2.5. Ter zitting heeft [appellante] betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in het bij haar bestreden besluit ten onrechte twee boetes heeft gehandhaafd van samen € 2640.00, opgelegd vanwege een door de minister vastgesteld verschil tussen de door bestuurder [naam bestuurder] op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal werkelijk gereden kilometers. Het verschil tussen de door die bestuurder aangebrachte kilometerstand en het aantal werkelijk gereden kilometers bedroeg 1 kilometer. Volgens [appellante] heeft de minister geen bezwaar tegen het afronden op hele kilometers bij het aanbrengen van de kilometerstand op het registratieblad. Dit leidt er volgens haar toe dat verschillen van 1 kilometer tussen de op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal werkelijk gereden kilometers niet mogen worden beboet.

2.5.1. De minister heeft aan [appellante] tweemaal een boete opgelegd voor een verschil van 1 kilometer tussen de door de bestuurder op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal werkelijk gereden kilometers. Dit is gebeurd in gevallen waarin uit de boordcomputer van de betreffende vrachtwagens viel op te maken dat daadwerkelijk 1 kilometer met de vrachtwagen was gereden, zonder dat hiervan een aantekening op de betreffende registratiebladen was gemaakt. Ter zitting heeft de minister te kennen gegeven dat volgens zijn vaste gedragslijn geen boetes worden opgelegd voor verschillen van 1 kilometer tussen de op het registratieblad door de bestuurder aangebrachte gegevens en het aantal daadwerkelijk gereden kilometers, omdat dat verschil op de registratiebladen zeer moeilijk is op te merken.

2.5.2. De minister heeft niet overtuigend kunnen toelichten waarom afwijking van evenbedoelde gedragslijn zou zijn geboden ingeval uit de gegevens van de indertijd niet verplicht aanwezige boordcomputer van de betreffende vrachtwagens, die door [appellante] uit eigen beweging aan de minister zijn overgelegd, was te concluderen dat daadwerkelijk 1 kilometer met de vrachtwagens was gereden, zonder dat hiervan een aantekening op de betreffende registratiebladen was gemaakt. Deze gevallen en die waarop de gedragslijn ziet verschillen niet wezenlijk van elkaar, nu ook in de laatste gevallen voor de minister vaststaat dat de extra kilometer daadwerkelijk is gereden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt voor zover het betreft de twee boetes die zijn opgelegd voor een verschil van 1 kilometer tussen het daadwerkelijke aantal gereden kilometers en de op het registratieblad door de bestuurder [naam bestuurder] aangebrachte kilometerstand.

2.6. [appellante] komt voorts op tegen de overweging van de rechtbank dat zij er niet in is geslaagd aan te tonen dat zij al het mogelijke heeft gedaan om naleving van het bepaalde in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv te bewerkstelligen, en stelt dat zij derhalve de onjuiste registraties niet heeft toegelaten. Volgens [appellante] is de rechtbank voorbij gegaan aan haar betoog dat het, gezien de zeer kleine verschillen tussen de door bestuurders op het registratieblad aangebrachte kilometerstand en het aantal werkelijk gereden kilometers, niet mogelijk was om die verschillen te constateren. De rechtbank is volgens haar voorts voorbij gegaan aan haar betoog dat uit haar interne administratie bleek dat geen verschil kon worden vastgesteld. [appellante] betoogt dat zij onder die omstandigheden maximaal toezicht heeft uitgeoefend.

2.6.1. Verschillen van meer dan 1 kilometer tussen de door de bestuurders aangebrachte kilometerstand en het aantal daadwerkelijk gereden kilometers heeft de minister vastgesteld door controle van de afstandregistratie op de registratiebladen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat [appellante] deze verschillen ook had kunnen opmerken. Het lag op de weg van [appellante] om de juistheid van de op het registratieblad aangebrachte gegevens te controleren en bij een geconstateerd verschil maatregelen te nemen. Het is haar als werkgever immers verboden toe te laten dat onjuiste gegevens of aantekeningen op het registratieblad worden gesteld. Dat op grond van haar interne administratie niet kon worden geconstateerd dat enkele van haar bestuurders niet de juiste kilometerstand op de registratiebladen aanbrachten, moet dan ook voor haar risico komen waar het betreft verschillen van meer dan 1 kilometer tussen de door de bestuurders aangebrachte kilometerstand en het aantal daadwerkelijk gereden kilometers. Het was aan [appellante] niet slechts uit te gaan van de juistheid van haar eigen interne administratie. Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hetgeen zij heeft aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat de minister bij de beoordeling van de overtredingen en de daarvoor opgelegde boete in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen rekening heeft gehouden met de aard en ernst van de overtredingen en de daarmee geschapen risico's. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat haar bestuurders al geruime tijd de kilometerstand hebben afgerond bij het aanbrengen ervan op de registratiebladen. Bij eerdere controles heeft de minister haar er nooit op gewezen dat dit niet is toegestaan. Bovendien was het volgens haar onmogelijk de geringe verschillen waar te nemen, en heeft het afronden niet geleid tot situaties waarin sprake is geweest van ernstige overtredingen en grote risico's voor de verkeersveiligheid. Volgens [appellante] had de minister daarom niet over mogen gaan tot cumulatie van de verschillende boetes, maar was bestraffing van één overtreding per werknemer die heeft afgerond op zijn plaats geweest.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200708858/1), is de hoogte van de boetenormbedragen afgestemd op de zwaarte van de overtreding en de beoogde afschrikwekkende werking en is dit geen onredelijk beleid, gelet op de verkeersveiligheid van de bestuurder en zijn medeweggebruikers. Voorts stellen de wettelijke voorschriften en beleidsregels geen maximum aan de cumulatie van boetes, en is dit, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 maart 2009 in zaak nr. 200802148/1), niet rechtens onjuist. In die uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat de evenredigheid per overtreding dient te worden beoordeeld naar de aard en ernst van de overtreding en de daarmee geschapen risico's, en dat tevens zal moeten worden beoordeeld of de opgelegde boete in het licht van bijzondere omstandigheden van het geval, redelijk is.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hetgeen [appellante] aanvoert niet tot het oordeel kan leiden dat de minister bij de beoordeling van de overtredingen en de daarvoor opgelegde boete in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen rekening heeft gehouden met de aard en de ernst van de overtredingen en de daarmee geschapen risico's. Dat de minister bij eerdere controles niet kenbaar heeft gemaakt dat afronding anders dan op hele kilometers niet is toegestaan kan, wat hier ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de minister bij het opleggen van de boete slechts één overtreding zou mogen bestraffen per werknemer van [appellante] die heeft afgerond. De wettelijke bepalingen staan afrondingen van meer dan één kilometer niet toe en uit de aangehaalde uitspraken vloeit voort dat cumulatie, ook bij dezelfde bestuurder, niet een bijzondere omstandigheid oplevert, op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de hoogte van het bedrag aan in totaal opgelegde boetes onredelijk is. Het betoog van [appellante] dat het voor haar feitelijk onmogelijk was de verschillen tussen de geregistreerde kilometers en de door de bestuurders op de registratiebladen aangebrachte kilometerstand op te merken faalt, nu een langdurige praktijk van afronding op steeds een veelvoud van vijf kilometer redelijkerwijs niet onopgemerkt kan blijven.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete opgelegd vanwege de ten aanzien van [naam bestuurder] begane overtredingen van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 juli 2008 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, voor zover de minister bij dat besluit de boete opgelegd vanwege de voormelde overtredingen heeft gehandhaafd. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 september 2007 te herroepen, voor zover het betreft de boete opgelegd vanwege de ten aanzien van [naam bestuurder] begane overtredingen van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv en de boete voor die overtredingen vast te stellen op nihil, zodat de totale boete € 72.490,00 bedraagt. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2009 in zaak nr. 08/6154, voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete opgelegd vanwege de ten aanzien van [naam bestuurder] begane overtredingen van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv in stand heeft gelaten;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 9 juli 2008, kenmerk 5734, voor zover bij dat besluit de boete opgelegd vanwege de ten aanzien van [naam bestuurder] begane overtredingen van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv is gehandhaafd;

V. herroept het besluit van 28 september 2007, kenmerk 5734, voor zover het betreft de boete opgelegd vanwege de ten aanzien van [naam bestuurder] begane overtredingen van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atb;

VI. bepaalt dat het bedrag van de hiervoor onder V. vermelde boete wordt vastgesteld op nihil;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

VIII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevallen;

IX. veroordeelt de minister van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de minister van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de minister van Verkeer en Waterstaat aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

97-622.