Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK9005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200904225/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904225/1/H3.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2009 in zaak nr. 08/4988 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2009, verzonden op 27 april 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan de maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR onder andere tot het opleggen van een EMA indien bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan, dan wel hoger is dan 350 mg/l, respectievelijk 0,8‰.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat hij degene was die op 8 mei 2008 is aangehouden en bij wie een te hoog ademalcoholgehalte is geconstateerd. Ter onderbouwing van zijn betoog voert hij aan dat de politierechter hem op 9 december 2008 heeft vrijgesproken op grond van het feit dat hij niet voldeed aan de persoonlijke kenmerken die de politie in het proces-verbaal van aanhouding (lees: het proces-verbaal misdrijf van 8 mei 2008; hierna: het proces-verbaal) had opgegeven ten aanzien van hem. De politierechter heeft volgens [appellant] zelf ter zitting geconstateerd dat de uiterlijke kenmerken van hem wezenlijk verschillen van de kenmerken die in het proces-verbaal zijn opgenomen. Daarnaast stelt [appellant] ten tijde van de bezwaarprocedure twee getuigenverklaringen van zijn moeder en zijn vriendin ingebracht te hebben waaruit blijkt dat hij op het moment van aanhouding thuis was.

2.2.1. Dit betoog faalt. In het enkele feit dat [appellant] is vrijgesproken door de politierechter is terecht door de rechtbank geen grond gezien voor gegrondverklaring van het beroep. Het vonnis van de politierechter bevat geen motivering, zodat niet kan worden vastgesteld om welke reden [appellant] is vrijgesproken. Wat hier ook van zij, in het bestuursrecht gelden andere bewijsregels dan in het strafrecht. De rechtbank diende te beoordelen of het CBR zich op het standpunt heeft mogen stellen dat boven redelijke twijfel is verheven dat [appellant] op 8 mei 2008 is aangehouden met een te hoog ademalcoholgehalte.

Niet in geschil is en ook uit het proces-verbaal blijkt, dat de aangehouden persoon de houder is van het ingevorderde rijbewijs. Anders dan [appellant] heeft gesteld heeft de rechtbank terecht overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat het rijbewijs van [appellant] voor 8 mei 2008 was gestolen. [appellant] heeft hiervan geen melding gemaakt, ook niet nadat hij zijn rijbewijs van de politie per post retour kreeg.

Hoewel [appellant] vanaf de bezwaarprocedure ontkent dat hij op 8 mei 2008 is aangehouden, heeft hij eerst in hoger beroep aangevoerd dat zijn uiterlijke kenmerken niet overeen komen met de persoonskenmerken die in het proces-verbaal zijn vermeld. [appellant] heeft nagelaten zijn betoog door het indienen van andere bewijsstukken te staven. Voorts is het betoog van [appellant] dat hij op het moment van aanhouding thuis was tegenstrijdig met hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn bezwaarschrift, namelijk dat hij ten tijde van de aanhouding aan het werk was. De getuigenverklaringen van zijn moeder en zijn vriendin zijn reeds daarom ongeloofwaardig.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal niet voor juist mocht houden en derhalve geen EMA mocht opleggen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

312-637.