Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200900933/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een akkerbouwbedrijf met een biomassavergistingsinstallatie aan de [locatie] te [plaats] te verlenen. Dit besluit is op 24 december 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900933/1/M1.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een akkerbouwbedrijf met een biomassavergistingsinstallatie aan de [locatie] te [plaats] te verlenen. Dit besluit is op 24 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door H.J.H. Feddema, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers en A. van der Zwan, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat zich strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voordoet. Volgens hem heeft het college de procedure bewust vertraagd, zodat de vergunning op grond van artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, zoals dat gold per 1 juli 2008, kon worden geweigerd.

2.1.1. Ingevolge artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), neemt het bestuursorgaan, indien het een besluit op aanvraag betreft, het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge 3:18, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

Ingevolge artikel 4:15 van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

2.1.2. De aanvraag is op 20 februari 2007 ontvangen. Op 12 maart 2007 heeft het college verzocht om de aanvraag aan te vullen met een akoestisch rapport. Op 4 april 2007 heeft het college uitstel verleend voor het indienen daarvan. Op 28 november 2007 heeft de aanvrager het akoestisch rapport ingediend. Het college heeft daarna niet meer om aanvullingen gevraagd en evenmin heeft het de beslistermijn verlengd. Geconcludeerd moet worden dat het college door op 22 december 2008 een besluit te nemen te laat heeft beslist op de aanvraag. De overschrijding van deze termijn van orde op zich tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Tegen de overschrijding van de termijn had [appellant] rechtsmiddelen aan kunnen wenden. Ook overigens heeft de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden het bestreden besluit te vernietigen. In aanmerking genomen dat [appellant] na 28 november 2007 nog wijzigingen van de aanvraag heeft ingediend, onder meer op 18 en 26 maart 2008 en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college de procedure bewust heeft vertraagd, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 2:4 van de Awb niet zonder vooringenomenheid heeft gehandeld. De beroepsgrond faalt.

2.2. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Bijleveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

433.