Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200902063/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) aan de stichting "Stichting Kinderopvang Waterland" (hierna: de stichting) bouwvergunning verleend voor het verhogen van een deel van de dakconstructie en het renoveren van de peuterspeelzaal en naschoolse opvang "Pinokkio" op het perceel Wendelmoet Claesdochterlaan 1 te Monnickendam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902063/1/H1.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub. 1], wonend te [plaats], gemeente Waterland,

2. [appellant sub. 2], wonend te [plaats],

3. de stichting "Stichting Kinderopvang Waterland", gevestigd te Monnickendam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 februari 2009 in zaak nrs. 07/3746 en 07/3947 in het geding tussen:

[appellant sub. 2],

[appellanten sub. 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) aan de stichting "Stichting Kinderopvang Waterland" (hierna: de stichting) bouwvergunning verleend voor het verhogen van een deel van de dakconstructie en het renoveren van de peuterspeelzaal en naschoolse opvang "Pinokkio" op het perceel Wendelmoet Claesdochterlaan 1 te Monnickendam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het college bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan.

Bij besluit van 4 mei 2007 heeft het college de besluiten van 26 januari 2005 en 3 juli 2006 naar aanleiding van de daartegen gerichte bezwaren herroepen en vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verhogen van een deel van de dakconstructie van de peuterspeelzaal en naschoolse opvang "Pinokkio" op het perceel.

Bij uitspraak van 26 februari 2009, verzonden op 5 maart 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten sub. 1] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub. 1]) daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk, en het door [appellant sub. 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub. 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2009, [appellant sub. 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, en de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub. 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 13 mei 2009. De stichting heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 14 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub. 1], [appellant sub. 2] en de stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar [appellant sub. 1], [appellant sub. 2], en de stichting, vertegenwoordigd door haar [directeuren], bijgestaan door mr. M.L. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Drijfholt, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak nr. 200509483/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 5 oktober 2005 in zaak nrs. 05/3532 en 05/3676 en het besluit op bezwaar van 30 juni 2005, waarbij het college het bezwaar van [appellant sub. 2] en [appellant sub. 1] tegen het besluit van 26 januari 2005 ongegrond heeft verklaard, vernietigd. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat het gebruik van het gebouw op het perceel als peuterspeelzaal/naschoolse opvang in strijd is met het bestemmingsplan.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellant sub. 1] wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 26 januari 2005, maar dat zij tegen het besluit op bezwaar van 30 juni 2005 geen beroep heeft ingesteld. Tevens heeft zij vastgesteld dat [appellant sub. 1] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 26 januari 2005 en beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 30 juni 2005, maar geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 oktober 2005. De rechtbank heeft op grond daarvan overwogen dat [appellant sub. 1] door geen beroep dan wel hoger beroep in te stellen op een moment dat deze mogelijkheid voor hem openstond, niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en dat derhalve het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.2. [appellant sub. 1] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.1. Dit betoog slaagt. Anders dan in het vernietigde besluit op bezwaar van 30 juni 2005, stelt het college zich in het besluit op bezwaar van 4 mei 2007 op het standpunt dat voor het bouwplan wel een vrijstelling noodzakelijk is en heeft het die vrijstelling verleend. Dit betreft een gewijzigde omstandigheid op grond waarvan [appellant sub. 1] redelijkerwijs niet kan worden verweten in strijd met het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb geen beroep dan wel hoger beroep te hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 30 juni 2005.

2.2.2. Het hoger beroep van [appellant sub. 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep van [appellant sub. 1] daarbij niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige door [appellant sub. 1] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen. Aangezien die beroepsgronden en de hoger beroepsgronden van [appellant sub. 2] van nagenoeg gelijke strekking en inhoud zijn, zullen deze gronden hieronder tezamen worden besproken.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Markgouw 1982" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen".

Het project is, naar niet in geschil is, in strijd met het bestemmingsplan. Teneinde bouwvergunning voor het project te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 4 mei 2007 verleende vrijstelling mede strekt tot het gebruik van het gebouw als kinderdagverblijf.

2.4.1. In de bouwaanvraag die heeft geleid tot de bij besluit van 4 mei 2007 gehandhaafde bouwvergunning, staat, voor zover thans van belang, dat de beoogde bouwwerkzaamheden bestaan uit het gedeeltelijk vernieuwen en vergroten van een kinderdagverblijf. Tevens is als het huidige en beoogde gebruik van het gebouw aangegeven: bijeenkomst (kinderopvang). Op de van de bouwaanvraag deel uitmakende bouwtekeningen is onder meer een groepsruimte ingetekend die is bestemd voor een kinderdagverblijf.

Onder deze omstandigheden strekt de bij besluit van 4 mei 2007 verleende vrijstelling mede tot het gebruik van het gebouw op het perceel als kinderdagverblijf. Het betoog slaagt derhalve. Hierin bestaat echter, gelet op rechtsoverweging 2.6, geen aanleiding de aangevallen uitspraak op dit onderdeel te vernietigen.

2.5. [appellant sub. 1] in beroep en [appellant sub. 2] in hoger beroep betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het project heeft kunnen verlenen. Zij voeren daartoe aan dat de realisering van het project onaanvaardbare gevolgen heeft voor hun persoonlijke levenssfeer, de verkeersintensiteit in de nabijheid van de projectlocatie, de luchtkwaliteit en geluidhinder die mede wordt veroorzaakt door het gebruik van het nabijgelegen Johan Pipoplantsoen door kinderen van de naschoolse opvang. Voorts voert [appellant sub. 2] daartoe aan dat in het project onvoldoende is voorzien in parkeergelegenheid.

2.5.1. In het gebouw op het perceel (hierna: het gebouw) is de peuterspeelzaal Pinokkio gevestigd. Bij besluit van 14 februari 1995 heeft het college vrijstelling verleend voor het gebruik van een op hetzelfde perceel staand pand voor kinderdagopvang. Als gevolg van het besluit op bezwaar van 4 mei 2007 zal, zoals beschreven in de aan de bouwaanvraag ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing, een deel van die kinderdagopvang worden verplaatst naar het gebouw, met dien verstande dat het totaal aantal kindplaatsen op het perceel met vier zal verminderen. Gelet hierop wordt het gebruik van het perceel voor kinderopvang ten gevolge van de realisering van het project niet in betekenende mate gewijzigd of uitgebreid. Het is derhalve niet aannemelijk dat door realisering van het project de luchtkwaliteit zal verslechteren of dat de geluidhinder door het gebruik van het nabijgelegen Johan Pipoplantsoen, de parkeerbehoefte en de verkeersintensiteit op en rond de projectlocatie zal toenemen. Er bestond voor het college dan ook onvoldoende aanleiding onderzoek te laten verrichten door onafhankelijk deskundigen naar de mogelijke gevolgen die de realisering van het project met zich brengt voor de luchtkwaliteit en geluidhinder, zoals door [appellant sub. 2] betoogt. De verleende vrijstelling heeft verder geen verandering ten gevolg wat betreft de bestaande afstand tussen het gebouw en de naastgelegen woningbouw zodat, anders dan [appellant sub. 2] betoogt, reeds daarom niet behoeft te worden voldaan aan de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aanbevolen afstand van 30 m tot naastgelegen woningbouw.

Het college heeft zich derhalve met juistheid op het standpunt gesteld dat de realisering van het project geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de persoonlijke levenssfeer van [appellant sub. 1] en [appellant sub. 2], de verkeersintensiteit op en rond de projectlocatie, de luchtkwaliteit, de geluidhinder en de beschikbare parkeergelegenheid in de nabijheid van de projectlocatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het niet aannemelijk is dat het gebruik van het gebouw voor kinderopvang meer ingrijpende ruimtelijke effecten ten gevolge zal hebben dan het gebruik uitgaande van hetgeen op grond van het bestemmingsplan mogelijk is, waarbij met name moet worden gedacht aan gebruik als school, verenigingsgebouw, tehuis, medisch centrum en politiebureau.

2.5.2. Voorts faalt het betoog van [appellant sub. 2] dat het college ten onrechte niet heeft gekeken naar de locatie van het scholeneiland aan de Pierebaan om het project te realiseren. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet gebleken is dat zich hier een zodanig geval voordoet.

2.5.3. Tenslotte kan [appellant sub. 2] niet worden gevolgd in zijn betoog dat de bij besluit op bezwaar van 4 mei 2007 gehandhaafde bouwvergunning niet ziet op de verplaatsing van de hoofdingang van het gebouw. Volgens de van dat besluit deeluitmakende bouwtekeningen is de ingang van het gebouw op het perceel aan de Jan Nieuwenhuyzenlaan komen te vervallen en is een ingang beoogd aan de Wendelmoet Claesdochterlaan. De locatie van deze ingang is niet in strijd met het bestemmingsplan.

2.5.4. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.6. Het beroep van [appellant sub. 1] en het hoger beroep van [appellant sub. 2] zijn ongegrond. Het hoger beroep van de stichting is gegrond. Nu echter het dictum van de aangevallen uitspraak, voor zover dit niet betreft de niet-ontvankelijk verklaring van [appellant sub. 1], juist is, dient de uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant sub. 1] betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub. 1] en de stichting "Stichting Kinderopvang Waterland" gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 februari 2009 in zaken nrs. 07/3746 en 07/3947, voor zover daarbij het beroep van [appellant sub. 1] niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het beroep van [appellant sub. 1]r ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant sub. 1] vergoedt het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

270-543.