Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200901407/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2008, no. 2008-009105, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aalten (hierna: de raad) bij besluit van 7 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Werklandschap Aalten-West".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/169
Module Ruimtelijke ordening 2010/1705

Uitspraak

200901407/1/R2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008, no. 2008-009105, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aalten (hierna: de raad) bij besluit van 7 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Werklandschap Aalten-West".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2009 en de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2009, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door ing. R.B.M. Aagten, de stichting, vertegenwoordigd door G.J.W. Kraaienbrink, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door W.G. ten Voorde, wethouder van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De raad stelt tevergeefs dat de stichting vanwege het ontbreken van feitelijke werkzaamheden niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende bij het bestreden besluit. De stichting heeft blijkens haar statuten tot doel de bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu in de gemeente Aalten en omstreken. De Afdeling stelt aan de hand van de jaarverslagen en de toelichting ter zitting vast, dat er feitelijke werkzaamheden worden verricht en dat deze feitelijke werkzaamheden passen binnen de statutaire doelstellingen van de stichting, zoals het voeren van overleg, het deelnemen aan symposia en het bijwonen van relevante bijeenkomsten.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein met 10 hectare.

Het beroep van de stichting

2.4. De stichting komt op tegen de goedkeuring van het plan en voert aan dat er gelet op de raming van de provincie geen behoefte is aan het bedrijventerrein. Elders in Aalten komt nog een aantal hectare bedrijventerrein vrij waarmee de verwachte behoefte ruimschoots kan worden opgevangen. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met een door de Sociaal Economische Raad opgestelde ladder voor nieuwe bedrijventerreinen (hierna: SER-ladder) welke door het rijk in een Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AMvB) is vastgelegd. Voorts wijkt het voorziene bedrijventerrein volgens de stichting af van het provinciale beleid om het accent te verleggen naar regionale bedrijventerreinen en wordt onvoldoende rekening gehouden met demografische ontwikkelingen en plannen van andere gemeenten.

2.4.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat in het kader van de streekplanuitwerking ‘Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking’ de bestuurlijke afspraak is gemaakt dat in de gemeente Aalten 20 hectare bedrijventerrein gerealiseerd mag worden. Deze oppervlakte wordt gelijkelijk verdeeld over de kernen Aalten en Dinxperlo, hetgeen resulteert in een maximale oppervlakte van 10 hectare voor het plangebied.

2.4.2. In de plantoelichting is een behoefteraming opgenomen voor bedrijventerrein in de gemeente Aalten. Voor de periode 2006-2015 is op basis van de Global Economy methode uitgerekend dat behoefte bestaat aan 10,2 hectare bedrijventerrein. Over de periode 2006-2020 is dit totaal 11,5 hectare. In de toelichting is voorts opgenomen dat afwijking van deze raming voldoende onderbouwd moet worden en met de provincie teruggekoppeld dient te worden. In de plantoelichting is vermeld dat voor de gemeente Aalten in regionaal verband de bestuurlijke afspraak is gemaakt dat 20 hectare bedrijventerrein mag worden gerealiseerd. Deze oppervlakte is volgens de toelichting ontleend aan de notitie ‘Bouwstenen’, die onderdeel uitmaakt van de op 14 december 2004 door de raad vastgestelde Toekomstvisie Aalten en waaruit naar voren is gekomen dat na 2003 behoefte bestaat aan de 20 hectare netto bedrijventerrein. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de oppervlakte van het voorziene bedrijventerrein van 10 hectare in overeenstemming is met de behoefte aan bedrijventerrein in Aalten. Ook is niet gebleken van doorkruising van plannen en ontwikkelingen van omliggende gemeenten nu de oppervlakte aan bedrijventerrein in Aalten juist tot stand is gekomen na bestuurlijk overleg met deze gemeenten. Voorts was, anders dan de stichting betoogt, de SER-ladder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in een AMvB vastgelegd zodat geen verplichting bestond de hierin vervatte punten in acht te nemen.

2.4.3. Wat betreft het betoog dat het beleid van de provincie erop is gericht het accent te verleggen naar regionale bedrijventerreinen is in de planbeoordeling van het bestreden besluit gesteld dat in de uitwerking van het streekplan Gelderland 2005 zoekzones ‘Werken’ zijn opgenomen, bedoeld voor de behoefte aan uitbreiding of nieuwvestiging van bedrijventerreinen. Deze behoefte aan bedrijventerreinen volgt volgens het bestreden besluit uit de nota Bedrijventerreinen ‘van Trekkracht naar Slagkracht’ waar het streekplanbeleid op is gebaseerd. In deze nota wordt volgens de plantoelichting de provinciale visie gepresenteerd ten aanzien van spreiding, bundeling en concentratie van bedrijventerreinen in Gelderland. Het uitgangspunt is concentratie en bundeling van bedrijventerreinen zowel binnen als buiten de Economische Hoofdstructuur (EH). Daarbij is aangegeven dat binnen de EH zoekruimte is voor nieuwe (boven-) regionale bedrijventerreinen, grote stationslocaties, grootschalige distributiebedrijven en zware industrie. Buiten de EH bestaat alleen de mogelijkheid voor lokale en subregionale bedrijventerreinen ten behoeve van naar aard en schaal passende bedrijvigheid. Hieruit volgt dat kleinschaliger bedrijventerreinen buiten deze zone mogen worden gerealiseerd waarbij rekening gehouden dient te worden met het uitgangspunt van concentratie en bundeling van bedrijventerreinen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich gelet op het bovenstaande terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijventerrein ‘Werklandschap Aalten-West’ niet in strijd is met het provinciale beleid.

2.5. De stichting voert voorts aan dat het bedrijventerrein ten onrechte is aangemerkt als werklandschap terwijl het gaat om nieuwvestiging van een lokaal bedrijventerrein. Gelet hierop zou de voorziene oppervlakte van het terrein gehalveerd moeten worden. In het plan is geen rekening gehouden met de opmerkingen die hierover zijn gemaakt in het kader van het vooroverleg met de provincie. De ontsluiting van het nieuwe bedrijventerrein maakt voorts ten onrechte geen integraal deel uit van het bestemmingsplan terwijl dit wel het beleid van de provincie is. De stelling dat een goede ontsluiting gegarandeerd wordt is niet onderbouwd, aldus de stichting.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan wordt beoordeeld als nieuwvestiging van een lokaal bedrijventerrein. Wat betreft de ontsluiting van het bedrijventerrein is volgens het college uit het verkeersonderzoek gebleken dat een goede ontsluiting wordt gegarandeerd.

2.5.2. Ten aanzien van de aanduiding werklandschap is in de plantoelichting opgenomen dat bij het ontwerp en de inrichting van het bedrijventerrein wordt aangesloten bij het concept van een werklandschap waarbij werken onderdeel uitmaakt van het landschap of milieu. Daar waar mogelijk worden bestaande groene elementen opgenomen zodat een waardevol landschap kan ontstaan. De groene structuur wordt vormgegeven langs de ontsluitingsstructuur; de wegen zullen worden begeleid door bomenrijen en groene stroken en worden al dan niet voorzien van sloten, aldus de toelichting. In de uitwerkingsregels zijn volgens de toelichting regels opgenomen ten aanzien van groen, water, verkeer en parkeren, die gericht zijn op het verkrijgen van een hoogwaardige en duurzame kwaliteit en inrichting.

2.5.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de omvang van het bedrijventerrein met 10 hectare niet in strijd met het provinciale beleid. Dat de raad heeft gekozen voor een inrichting met als uitgangspunt bepaalde functies zoals natuur onderdeel te laten uitmaken van het plan, terwijl het college het bedrijventerrein niet als een werklandschap heeft aangemerkt, maakt dan ook niet dat daardoor de oppervlakte van het terrein dient te worden gehalveerd. Hetgeen het college in het kader van het vooroverleg heeft gesteld maakt dit ook niet anders nu is ingestemd met de oppervlakte van het bedrijventerrein.

2.5.4. Met het oog op de ontsluiting van het bedrijventerrein heeft Arcadis in november 2007 het rapport Verkeerskundige haalbaarheid Bedrijventerrein 't Broek opgesteld. Uit dit aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek blijkt dat de intensiteit op het bestaande wegennet, in het bijzonder de Sondernweg en de Nijverheidsweg, als gevolg van het bedrijventerrein toeneemt. De Nijverheidsweg is aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg en heeft gelet op de verwachte verkeerstoename voldoende capaciteit om het extra verkeer op te vangen, aldus het rapport. De Sondernweg is aangemerkt als een erftoegangsweg en kan volgens het rapport zowel nu als op de lange termijn de verwachte verkeersintensiteit verwerken. De raad heeft daar ter zitting aan toegevoegd dat de Sondernweg zal worden verbreed en een betere aansluiting zal krijgen op de Nijverheidsweg. De stelling van de stichting dat een goede ontsluiting niet wordt onderbouwd kan niet worden gevolgd nu gelet op het onderzoek en het verhandelde ter zitting in het bijzonder aandacht is besteed aan de capaciteit van de ontsluitingswegen in combinatie met de verwachte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van het bedrijventerrein. Niet gesteld of gebleken is dat aan het rapport zodanige gebreken kleven dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goede ontsluiting van het plangebied is gegarandeerd. Voor zover de stichting heeft aangevoerd dat ten onrechte een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg niet in het plan is meegenomen, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken van concrete plannen voor een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg.

2.5.5. Tot slot stelt de stichting dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het effect van het plan op het landschap als geheel. Er is slechts gekeken naar de sectorale effecten terwijl het gebied voor de bewoners belangrijk is voor onder andere recreatie. Met de aantasting van de kwaliteit van het gebied als essenlandschap is volgens de stichting ook geen rekening gehouden terwijl de provincie essenlandschappen expliciet als te behouden waarden beschouwt.

2.5.6. Het college stelt zich op het standpunt dat het grootste gedeelte van het bedrijventerrein ligt in de in het streekplan aangewezen zoekzone 'Werken'. Voor het gedeelte dat volgens het streekplan valt binnen de zone ‘Multifunctioneel gebied’ zonder nadere waarden, is volgens het college afwijking van het streekplan in dit geval gerechtvaardigd nu aangesloten wordt bij een reeds bestaand bedrijventerrein, er geen bijzondere natuurwaarden gelden en de andere aangewezen zoekzones binnen de gemeente niet worden benut.

2.5.7. In het streekplan zijn de gronden van het grootste gedeelte van het bedrijventerrein aangewezen als zoekzone 'Werken'. In deze zone is het realiseren van een bedrijventerrein toegestaan. Het resterende gedeelte van de gronden valt volgens het streekplan binnen de zone 'Multifunctioneel gebied' met de specifieke aanduiding 'Multifunctioneel platteland'. De zone 'Waardevol landschap' bevindt zich aan de noordoostzijde van Aalten, in tegenstelling tot het bedrijventerrein dat zich aan de zuidwestzijde van Aalten bevindt. Het college heeft gemotiveerd aangegeven dat de afwijking van het streekplan niet in strijd is met de beleidsuitspraken in het streekplan en voorts niet ten koste gaat van de samenhang van het ruimtelijk beleid. Gelet op het standpunt van het college als hiervoor weergegeven, bestaat geen grond voor het oordeel dat met de vestiging van het bedrijventerrein aantasting plaatsvindt van het essenlandschap. Voorts is niet gebleken dat met de vestiging van het bedrijventerrein een zodanige aantasting plaatsvindt van het landschap als geheel dat het college om die reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de plantoelichting is opgenomen dat de inrichting van het plangebied als werklandschap geen gevolgen heeft wat betreft ruimtebeslag, versnippering en verstoring op de gebieden die behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en dat nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS zijn uit te sluiten.

2.5.8. De conclusie is dat hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.6. [appellanten sub 1] exploiteren aan de [locatie] een agrarisch bedrijf met vleesvarkens en melkkoeien met bijbehorend jongvee. [appellanten sub 1] voeren aan dat in het plangebied geurgevoelige objecten zullen worden gebouwd zoals kantoren en werkplaatsen. Nu het plangebied geheel binnen de voor het bedrijf geldende geurcontour van 3,0 odour units per kubieke meter lucht valt is het gebied ongeschikt voor het geplande bedrijventerrein. Voorts is volgens [appellanten sub 1] niet voorzien in een adequate ontsluitingsweg nu de ontsluiting op de Sondernweg en de Nijverheidsweg niet is toegerust op de extra toename van het verkeer.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in de uitwerkingsvoorschriften is opgenomen dat bij de uitwerking regels worden gesteld ten aanzien van de geurcontouren van de nabijgelegen veehouderijen en dat geurgevoelige objecten binnen deze contouren niet zijn toegestaan. Op grond van de voorschriften is bouwen alleen toegestaan indien het bouwplan past in de toekomstige uitwerking.

2.6.2. Zoals in 2.5.4. is overwogen heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een goede ontsluiting van het plangebied is gegarandeerd.

2.6.3. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein 't Broek en de gronden hebben daarin de bestemming "Bedrijventerrein- Uit te werken [BT-U]". Deze gronden zijn ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bestemd voor:

a. de uitoefening van industriële, ambachtelijke, logistieke en groothandelsbedrijven zoals die voorkomen in de categorieën 1, 2 en 3 van de bij deze voorschriften behorende staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede daarmee naar aard, uitstraling en invloed vergelijkbare bedrijven.

Een en ander met dien verstande dat:

- risicovolle bedrijven als bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen en geluidszoneringsplichtige inrichtingen niet op het terrein mogen worden gevestigd;

- kantoren enkel zijn toegestaan als onderdeel van en ondergeschikt aan de toegelaten bedrijven;

- detailhandelsbedrijven niet zijn toegestaan, behoudens perifere detailhandel via vrijstelling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder e, zijn (bedrijfs)woningen niet toegelaten.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder j, worden in de nadere uitwerking regels gesteld ten aanzien van de geurcontouren van de nabijgelegen veehouderijbedrijven en worden geurgevoelige objecten niet binnen deze contouren toegestaan.

2.6.4. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt onder geurgevoelig object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.6.5. Ten aanzien van de vraag of in het plan geurgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt en of de agrarische bedrijven daardoor in hun bedrijfsmogelijkheden worden beperkt heeft de Afdeling in de uitspraak van 24 december 2008, zaak nr. 200709155/1, overwogen dat voor de vraag of een bedrijfsgebouw als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moet worden aangemerkt, naast de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt, allereerst van belang is of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Daarbij is overwogen dat uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf en dat uit die wetsgeschiedenis verder blijkt dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. In eerdergenoemde uitspraak is voorts overwogen dat er in de Wgv dus voor is gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft, een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt.

2.6.6. Gezien de aard van de toegelaten bedrijvigheid op het bedrijventerrein zal per gebouw minimaal één voor het bedrijf werkzame persoon aanwezig zijn. Gelet hierop, zijn de bedrijfsgebouwen bestemd, en naar moet worden aangenomen geschikt, voor menselijk verblijf en daardoor aan te merken als geurgevoelig object.

2.6.7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen: binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 1 wordt onder concentratiegebied verstaan: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied. In bijlage I bij de Meststoffenwet is Aalten aangewezen als concentratiegebied.

2.6.8. Onweersproken is dat het plangebied deel gaat uitmaken van de bebouwde kom waardoor de geurbelasting van de veehouderij van [appellanten sub 1] op geurgevoelige objecten binnen het daarin te vestigen bedrijventerrein niet meer mag bedragen dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht. Voorts staat vast dat het plangebied grotendeels binnen de geurcontour van 3,0 odour units per kubieke meter lucht ligt. De Afdeling heeft bij uitspraak van 7 oktober 2009, zaak nr. 200900801/1/R3, overwogen dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Daargelaten de vraag of in dit geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de norm zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wgv van toepassing was, is de Afdeling gelet op het voorgaande van oordeel dat inzichtelijk had moeten worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd. Voorts is onduidelijk of het plan, gelet op het in artikel 3, tweede lid, onder j, van de planvoorschriften opgenomen verbod en de uitleg die in 2.6.5. en 2.6.6. aan geurgevoelige objecten is gegeven, uitvoerbaar is.

Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, onvoldoende gemotiveerd.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 19 december 2008, kenmerk no. 2008-009105, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

429-608.