Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200901934/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het winnen, overslaan en classificeren van zand en grind op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Uden. Dit besluit is op 9 februari 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901934/1/M1.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Uden,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het winnen, overslaan en classificeren van zand en grind op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Uden. Dit besluit is op 9 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2009, waar het college, vertegenwoordigd door R.M. de Groot en H.G.J.M. Huijbregts, beiden werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Voorts zijn ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] als belanghebbende, en BB Uden Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Ter zitting is gebleken dat de woning van [appellant] aan de [locatie] op een afstand van ongeveer 1.200 meter van de inrichting is gelegen. Gezien de aard van de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten, is niet aannemelijk dat milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden bij de woning van [appellant]. Gelet hierop kan hij ten aanzien van het bestreden besluit niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Uit het vorenstaande volgt dat zijn beroep niet-ontvankelijk is.

2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. De Hek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

542.