Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200905078/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om verlening van een onderwijsbevoegdheid in het voortgezet onderwijs in het vak Engels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200905078/1/H2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 mei 2009 in zaak nr. 08/714 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om verlening van een onderwijsbevoegdheid in het voortgezet onderwijs in het vak Engels afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 3 juni 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2009.

De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. W.A. Verbeek, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de Wvo) worden leraren door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene in het bezit te zijn van:

1º. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, of

2º. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of

3º. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 118k.

Ingevolge het tweede lid kan de minister in bijzondere gevallen aan personen die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b gestelde eisen.

Ingevolge artikel 33a kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, worden bij algemene maatregel van bestuur bekwaamheidseisen vastgesteld voor leraren.

Ingevolge artikel 2.1 van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel (hierna: het Bbo) omvat de bekwaamheid tot het geven van onderwijs de volgende competenties:

a. interpersoonlijke competentie;

b. pedagogische competentie;

c. vakinhoudelijke en didactische competentie;

d. organisatorische competentie;

e. competentie in het samenwerken met collega's;

f. competentie in het samenwerken met de omgeving;

g. competentie in reflectie en ontwikkeling.

2.2. Het geschil heeft uitsluitend betrekking op de vraag of [appellante] voldoet aan de vereisten voor verkrijging van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 33a van de Wvo.

2.3. De minister heeft bij besluit van 20 maart 2008, gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2008, de aanvraag van [appellante] om verlening van een onderwijsbevoegdheid voor het geven van Engels in het voortgezet onderwijs afgewezen. Hij heeft daaraan een advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (hierna: de Nuffic) van 18 maart 2008 ten grondslag gelegd, waarin is gesteld dat de door [appellante] in de Verenigde Staten gevolgde lerarenopleiding lichamelijke opvoeding wat inhoud en doel betreft niet gelijkwaardig is aan een Nederlandse tweedegraads lerarenopleiding voor het vak Engels nu zij vrijwel niet het vakgebied van de Engelse taal- en letterkunde heeft bestudeerd en in de Verenigde Staten vermoedelijk geen onderwijsbevoegdheid heeft. Dat zij Engels als moedertaal heeft, al vele jaren les geeft in het vak Engels en door de onderwijsinstellingen waar zij werkzaam is als bevoegd is aangemerkt, kan volgens de minister niet tot een ander oordeel leiden.

2.4. [appellante] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de afwijzing van haar aanvraag niet heeft kunnen baseren op het advies van de Nuffic, nu in dat advies ten onrechte niet is betrokken dat Engels haar moedertaal is en er ten onrechte van is uitgegaan dat zij in de Verenigde Staten vermoedelijk geen onderwijsbevoegdheid heeft.

2.4.1. Voor het bevoegd kunnen geven van voorgezet onderwijs dient een leraar ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wvo in het bezit te zijn van een getuigschrift waaruit blijkt dat is voldaan aan de in het Bbo gestelde bekwaamheidseisen. Zij die met goed gevolg een beroepsopleiding tot (vak)leraar hebben afgesloten onder de werking van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek hebben een dergelijk getuigschrift. Dat getuigschrift geeft uitsluitsel over de leerinhouden waarop de bekwaamheidseisen betrekking hebben. De brochure Regelingen Onderwijs, mei 2008, vermeldt als beleidsuitgangspunt dat leraren van buiten de Europese Unie die voortgezet onderwijs in Nederland willen geven ingevolge artikel 33a van de Wvo evenzeer moeten beschikken over een getuigschrift waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in het Bbo gestelde bekwaamheidseisen. Daartoe dient te worden beoordeeld of de in het buitenland gevolgde opleiding tot (vak)leraar voor wat betreft niveau en inhoud gelijkwaardig kan worden geacht aan de desbetreffende Nederlandse beroepsopleiding tot (vak)leraar. Teneinde dat te kunnen bepalen kan advies worden ingewonnen bij de Nuffic.

2.4.2. De Nuffic heeft onderzocht of de door [appellante] in de Verenigde Staten gevolge lerarenopleiding lichamelijke opvoeding naar niveau en inhoud gelijkwaardig kan worden geacht aan de Nederlandse tweedegraads lerarenopleiding voor het vak Engels. Het advies van de Nuffic beperkt zich terecht tot een geobjectiveerde waardering van het onderwijskundig niveau van het buitenlands getuigschrift. Persoonlijke omstandigheden, waaronder de moedertaal van [appellante], almede de gestelde bevoegdheid om in de Verenigde Staten tweedegraad lessen te geven, zijn voor de beoordeling van het niveau en de inhoud van de door haar in de Verenigde Staten gevolgde lerarenopleiding niet van belang en de Nuffic heeft deze dan ook terecht buiten beschouwing gelaten. Deze omstandigheden kunnen eerst aan de orde komen bij de beoordeling of de aanvrager, wiens in het buitenland gevolgde opleiding wat niveau en inhoud betreft niet gelijkwaardig is bevonden aan de desbetreffende Nederlandse opleiding, op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wvo voor ontheffing van de in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde eisen in aanmerking komt. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellante] moet worden geacht een beroep te hebben willen doen op deze ontheffing. Partijen hebben in dat verband ter zitting afgesproken dat in onderling overleg tot een daartoe strekkende aanvraag zal worden gekomen, die de minister in behandeling zal nemen.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande, alsmede in aanmerking genomen dat [appellante] geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister de afwijzing van het verzoek om verlening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 33a van de Wvo niet heeft mogen baseren op het advies van de Nuffic. Het betoog faalt.

2.5. Het door [appellante] gevoerde betoog dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan haar beroep op het vertrouwensbeginsel is op zichzelf terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Dat de onderwijsinstellingen waar zij werkzaam was als docent Engels haar bevoegd hebben geacht, wat daar verder ook van zij, maakt niet dat de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de minister aan haar de gevraagde onderwijsbevoegdheid zou verlenen, nu de onderwijsinstellingen niet het daartoe bevoegde orgaan zijn.

2.6. [appellante] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank er ongemotiveerd aan voorbij is gegaan dat de minister heeft miskend dat de voor haar nadelige gevolgen van de afwijzing, gelet op haar leeftijd en de inmiddels door haar verworven positie, onevenredig zijn met de met het besluit te dienen doelen. Daargelaten of niet reeds de Wvo er aan in de weg staat dat in het geval de minister van oordeel is dat bekwaamheid van een aanvrager niet gelijk of nagenoeg gelijk kan worden geacht aan de bekwaamheid van een in Nederland gediplomeerde leraar, de belangen van de aanvrager van de onderwijsbevoegdheid er toe zouden kunnen leiden dat de minister de onderwijsbevoegdheid alsnog moet afgeven, heeft de minister in het in beroep bestreden besluit alsmede in beroep uiteengezet dat de belangen van [appellante] zijn afgewogen tegen die van de onderwijsinstellingen en de leerlingen. Daarbij is veel gewicht toegekend aan goed onderwijs. Om de kwaliteit van het onderwijs te kunnen waarborgen worden eisen gesteld aan het onderwijzend personeel. Dat betekent dat een voorwaarde voor het krijgen van een onderwijsbevoegdheid onder andere een voldoende kwalificerende opleiding is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de afwijzing onevenredig zijn met de met het besluit te dienen doelen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

-502.