Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200906235/9/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [verzoekster], onder oplegging van een dwangsom gelast de uitbreiding van de binnenmanege en het legale gedeelte van de binnenmanege in oorspronkelijke staat te herstellen, de houten vloer, de bars, de houten constructie ten behoeve van spelletjes en zestien buitenboxen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906235/9/H1.

Datum uitspraak: 7 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[partij], wonend te [plaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 juli 2009 in zaken nrs. 08/3015 en 08/5357 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [verzoekster], onder oplegging van een dwangsom gelast de uitbreiding van de binnenmanege en het legale gedeelte van de binnenmanege in oorspronkelijke staat te herstellen, de houten vloer, de bars, de houten constructie ten behoeve van spelletjes en zestien buitenboxen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, [verzoekster] gelast de zelfstandige horeca-activiteiten in het deel van de binnenmanege op het perceel en het evenementen-, bedrijfscaterings- en het bemiddelingsbureau voor het leveren van amusement te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [partij] en [belanghebbende A] tegen de besluiten van 17 november 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 april 2009 heeft het college het door [partij] en [belanghebbende A] tegen de besluiten van 17 november 2005 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het niet is ingegaan op het verzoek om handhavend op te treden tegen het zonder bouwvergunning bouwen van caravans voor permanente bewoning, de aanbouw aan het voormalig woonhuis, de paardencontainer en het tuinhuisje, [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast de caravans, de aanbouw en het tuinhuisje te verwijderen en verwijderd te houden en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op 9 juli 2009, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) de door [partij] en [verzoekster] tegen de besluiten van 1 oktober 2008 en 3 april 2009 ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 1 oktober 2008 en 3 april 2009 vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft [partij] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 september 2009.

Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de tegen de besluiten van 17 november 2005 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, voor zover het college niet is ingegaan op het verzoek om handhavend optreden tegen het zonder bouwvergunning bouwen van caravans voor permanente bewoning, de aanbouw aan het voormalige woonhuis en het tuinhuisje. Het college heeft voorts [belanghebbende B], [vennoot A] en [belanghebbende C] ([verzoekster]) gelast twee caravans, de aanbouw aan het voormalige woonhuis en het tuinhuisje te verwijderen en verwijderd te houden en de horeca-activiteiten in het voormalige woonhuis (De Hoeve) te staken dan wel gestaakt te houden, anders dan onder het overgangsrecht is toegelaten.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] en [verzoekster] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 december 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. M.P.A. Oogjen, advocaat te Woerden, en het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. [partij] is, bijgestaan door ir. A.K.M. Van Hoof, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [partij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding bij de Afdeling. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft hierop betrekking.

2.3. [verzoekster] heeft bij brief van 25 november 2009 aangegeven dat zij inmiddels één caravan en het tuinhuisje heeft verwijderd, hetgeen niet is weersproken. In zoverre is reeds aan de last voldaan. Het geschil heeft thans geen betrekking meer op deze onderdelen van de last.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Manege".

Ingevolge artikel 27, aanhef, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), zijn de op de plankaart als "Manege" aangewezen gronden bestemd voor het onderbrengen van, de handel in en de sportbeoefening met paarden, en de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 27, lid D, onder I, is het verboden opstallen gelegen binnen de bestemming "Manege" te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming. Onder zodanig gebruik van de opstallen wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de opstallen:

a. voor bewoning, behoudens een woning;

b. voor enige tak van handel en/of bedrijf, met uitzondering van:

1. een manege;

2. horecadoeleinden, voor zover het betreft een bij een manege passende horecavoorziening.

2.5. Niet in geschil is dat [verzoekster] het voormalige woonhuis (De Hoeve) gebruikt voor horeca-activiteiten en dat [verzoekster] de nog op het perceel aanwezige caravan en de aanbouw aan het voormalige woonhuis heeft opgericht zonder bouwvergunning. Daarmee heeft zij gehandeld in strijd met artikel 27, lid D, onder I, van de planvoorschriften en artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. Bij besluit van 24 september 2009 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" vastgesteld.

Niet in geschil is dat dit bestemmingsplan de horeca-activiteiten in het voormalige woonhuis (De Hoeve) en het oprichten van de aanbouw aan het voormalige woonhuis mogelijk maakt. Met betrekking tot deze activiteiten en deze aanbouw kan worden betwijfeld of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet behoefde te worden beoordeeld of ten tijde van het besluit van 10 november 2009 concreet zicht op legalisering bestond, omdat volgens het college bij besluit op bezwaar inzake handhaving slechts getoetst dient te worden met inachtneming van feiten en omstandigheden zoals deze zich op het moment van het opleggen van de maatregel, voordeden. De vraag of het standpunt van het college in dit geval juist is, kan definitief worden beantwoord in de bodemprocedure.

[partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat de nog op het perceel aanwezige caravan niet mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid", omdat deze permanent wordt bewoond. De vraag of ten aanzien van deze caravan concreet zicht op legalisering bestaat, kan eveneens een juiste beantwoording vinden bij de behandeling van het geschil door de Afdeling in de bodemprocedure. De voorlopige voorzieningen-procedure is daarvoor minder geschikt.

2.7. Gelet op het voorgaande en op grond van een afweging van de betrokken belangen, waaronder enerzijds het bedrijfseconomisch belang van [verzoekster] bij voortzetting van de exploitatie zonder de beperkingen zoals opgelegd in het besluit van het college van 10 november 2009 en anderzijds het belang van [partij] bij een ongestoord genot van zijn recreatiewoning, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek op de in het dictum omschreven wijze toe te wijzen. Dit betekent dat [belanghebbende B], [vennoot A] en [belanghebbende C] ([verzoekster]) geen dwangsommen verbeuren, indien zij hangende het hoger beroep de horeca-activiteiten in het voormalige woonhuis (De Hoeve) niet staken dan wel gestaakt houden noch indien zij de aanbouw aan het voormalige woonhuis en de nog op het perceel aanwezige caravan niet verwijderen en verwijderd houden.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 10 november 2009, kenmerk 1.2009.0178.001, behalve voor zover niet in geschil is dat reeds aan de last is voldaan;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 890,89 (zegge: achthonderdnegentig euro en negenentachtig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010

499.