Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200908682/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908682/2/M1.

Datum uitspraak: 7 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college het door [verzoeker] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 december 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.M.P.P. Brassé, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], H.W.J.B. Janssen en ing. M. Boers, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] betoogt dat [vergunninghouder] de aan de vergunning verbonden voorschriften ter beperking van stofhinder onvoldoende in acht neemt, dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden worden overschreden en in strijd met de vergunning op puin wordt gereden. Tevens gebruikt [vergunninghouder] zonder de hiervoor benodigde vergunning een terrein tegenover de inrichting voor de opslag van materialen, aldus [verzoeker].

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen, omdat zich geen overtreding voordoet. Hiertoe voert het aan dat tijdens diverse controlebezoeken niet is geconstateerd dat op puin wordt gereden of de voorschriften ter beperking van stofhinder worden overtreden. Tevens is het niet vergunde gebruik van het terrein tegenover de inrichting van [vergunninghouder] beëindigd. Daarnaast heeft [vergunninghouder] geluidbeperkende maatregelen getroffen zodat wordt voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden.

2.2.2. Het college heeft op 5 maart 2009, 10 juli 2009, 29 juli 2009 en 25 augustus 2009 controlebezoeken gebracht aan de inrichting. Uit de verslagen van deze controlebezoeken blijkt dat niet is geconstateerd dat op puin wordt gereden of de voorschriften ter beperking van stofhinder worden overtreden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de door [vergunninghouder] getroffen geluidbeperkende maatregelen ontoereikend zijn om overschrijding van de geluidgrenswaarden te voorkomen. Tevens is ter zitting gebleken dat het illegale gebruik van het perceel tegenover de inrichting van [vergunninghouder] is beëindigd. Ter zitting heeft [verzoeker] foto's en videobeelden vertoond van de inrichting van [vergunninghouder] en de daar verrichte activiteiten. Deze foto's en videobeelden kunnen echter niet als bewijs dienen van het gestelde niet in acht nemen van vergunningvoorschriften.

2.3. De voorzitter ziet geen aanleiding het besluit van 13 oktober 2009 te schorsen dan wel anderszins een voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Hek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010

542.